Koekoekkiekje

Vrije Geer 1 juni 2014 ©2014 S.J. Lirb

Vrije Geer 1 juni 2014 ©2014 S.J. Lirb

We zochten de koekoek. We hoorden ‘em in de verste. Sofia heeft haar camera in de goede richting gehouden en afgedrukt. Dit is de kiek. De koekoek zit daar ergens. Hint: we hebben ‘em zelf helaas niet gezien. Maar de plaat is er niet minder mooi om geworden! Wunderbar.

Een voetnoot bij een voetnoot. (Bij de geschiedenis.)

Boeken en bladen in eigen collectie over de Fairey Swordfish, de Taranto Raid en de Fleet Air Arm ©2014 Huib J. Lirb

Boeken en bladen in eigen collectie over de Fairey Swordfish, de Taranto Raid en de Fleet Air Arm ©2014 Huib J. Lirb

Op zoek naar een recente geschiedenis van de stad Taranto stuitte ik vanmorgen op een groepje van Italiaanstalige boeken over de “Taranto raid”. Het is een beroemde aanval waar ik in de loop der jaren al meerdere malen over heb gelezen. Sterker nog, ik heb in mijn boekenkast drie boeken over de aanval en over het type vliegtuig waarin het is uitgevoerd.

In de nacht van  11 op 12 november 1940 vlogen 21 forse Fairey Swordfish dubbeldekkers van de Britse Fleet Air Arm, behangen met torpedo’s (de ene helft) en met 250 pond “Semi-Armour-Piercing” bommen en “flares” (de andere helft), van hun vliegdekschip HMS Illustrious langs de kust van Kephallonië over een afstand van meer dan 300 kilometer naar de Italiaanse havenstad Taranto. Daar lag de trots van Mussolini’s vloot voor anker, als het ware  in gezegende onwetendheid mooi en machtig te wezen: zes slagschepen en drie kruisers in een halve cirkel in de Mar Grande, de buitenhaven, en nog eens zes kruisers en zeventien “destroyers” in de Mar Piccolo, de binnenhaven. Die schepen zoveel mogelijk schade toebrengen in een bliksemaanval, dat was het doel van Operation Judgement. Vooral na het verlies van de Franse vloot (deels aan de Engelsen zelf – we hebben het er nog eens over) was het nodig om het gevaarlijke overwicht van de vijandelijke vloot in de Middellandse Zee (dus inzonderlijk de Italiaanse) te verzwakken. Gibraltar en Malta liepen gevaar. Verderop Suez. En daarmee de oliegebieden en de koloniën in Azië (e.g. India, Singapore etc.).

De aanval is goed voorbereid, al waren er veel vertragingen door pech, met als dieptepunt de brand op het aanvankelijk beoogde vliegdekschip HMS Eagle. Om vanaf grote afstand een verrassingsaanval te kunnen uitvoeren, werden de grote dubbeldekkers  zodanig gemodificeerd dat er meer brandstof dan normaal mee kon worden genomen. Er werd een grote extra brandstoftank geplaatst tussen de voorste en de achterste “cockpit” van de driezitter zodat de navigator-en-bommenrichter werd verschoven naar de cockpit van de boordschutter-en-telegrafist (Telegraphist Air Gunner). De boordschutter werd dus vervangen voor een potentiële brandbom (David Wragg, Swordfish. The Story of the Taranto Raid, London 2003, 17 en 83 voor de modificatie; 15 voor de TAG; zie Ray Sturtivant, The Swordfish Story London [1993] 2000, 59, voor de verklaring van de “observer” Sutton dat dat best enorm beangstigend was ). Twee-en-veertig bemanningsleden trotseerden eerst urenlang de intense koude van de hogere luchtlagen in hun open kisten. “Six thousand feet. God how cold it is here! The sort of cold that fills you until all else is drowned, save perhaps fear and loneliness. Suspended between heaven and earth in a sort of no-man’s land – to be sure, no man was ever meant to be here… Is it surprising that my knees are knocking together?” (Luitenant M.R. Maund, in een verklaring kort na de actie, geciteerd in Wragg 2003, 105; voor een vergelijkbare klacht over de opmerkelijke kou, deze keer van piloot John Wellham, zie Sturtivant [1993] 2000, 60).

 

Een Fairey Swordfish gefotografeerd in 2012 door Tony Hisgett uit Birmingham, UK (http://www.flickr.com/people/37804979@N00) . Wikimedia Commons.

Een Fairey Swordfish gefotografeerd in 2012 door Tony Hisgett uit Birmingham, UK (http://www.flickr.com/people/37804979@N00). Wikimedia Commons.

 

Na de lange ijzige vlucht werd eindelijk het doel dicht genaderd.

In twee golven en verdeeld over nog kleinere vluchten vielen de Swordfish vliegtuigen aan. Dat was geen eitje. Overal hingen verperringsballonnen (waar bijvoorbeeld het toestel van Wellham en Humphreys ernstig door in problemen is gekomen, zie Sturtivant [1993] 2000, 60).  Hier en daar waren er ook anti-torpedonetten gespannen zodat ook het kiezen en benaderen van het doel uiterst moeilijk was gemaakt (volgens Charles Lamb, War in a Stringbag,  London [1977] 2002, 105-6; ook volgens Captain Sutton in Sturtivant [1993] 2000, 58). De verdediging was klaarwakker reeds vóór de komst van de eerste vlucht want de Italianen hadden een kwartier tevoren alarm geslagen. Ze hadden namelijk het verre motorgedreun opgevangen van het vooruitgeschoven toestel dat kort voor de haven moest blijven cirkelen om op de rest van de vlucht te wachten. De “zwaardvissen” met torpedo’s vlogen laag aan. Zo laag dat de mitrailleurs en kanonnen van de luchtverdediging en van de belaagde schepen elkaar dreigden te raken in het spervuur over het water. Dat gebeurde dan ook, volgens de vlieger Charles Lamb, en hij merkte ook op dat de oude stad Taranto hard werd getroffen door “vriendelijk” vuur (Lamb [1977] 2002, 107-108). Het luchtdoelgeschut hield daarom al snel een hoek aan waarmee als het ware een doorgang open bleef voor de laagvliegende Swordfishes die torpedo’s brachten.  Om dezelfde reden werden de zoeklichten niet goed gebruikt – tot gelukkige verbazing van de Britse vliegers. Blijkbaar wilden de Italianen hun eigen schepen niet uitlichten door de zoeklichten laag in te schijnen met zoeklichten die over het wateroppervlak zouden scheren (Lamb [1977] 2002, 108). Al snel werd niettemin de hele Mar Grande fel opgelicht, door de talloze explosies en branden, door de “flares” (toortsen aan parachutes afgeworpen door de hoger vliegende Swordfish vliegtuigen die bommen wierpen) en door de traceerkogels van het snelvurende luchtdoelgeschut.”I have always been very grateful to the Italians for favouring the tracer-type shell, which streaks upwards in flaming balls of fire, known as ‘flaming onions’. It is possible to see them coming from the moment they leave the gun’s mouth until they soar past. Admittedly, they streak upwards at an alarming rate, but there was always time to dip a wing and swerve out of their path. In the dark there was plenty of time to dodge, and in any case, they were firing at the flares, not the aircraft.” (Lamb [1977] 2002, 109). Een van de piloten van de tweede vlucht, die 50 minuten later in actie kwam, merkte op dat het geheel leek op “a very expensive fireworks display” en vroeg zijn observator gekscherend of ze niet toevallig een feestje bleken te komen binnenvallen (Wellham in Sturtivant [1993] 2000, 60). Party crashers dus.

Onder de stank, de knallen en de lichtflitsen door werkten de britse toestellen zich langzaam langs de versperringsballonnen en door het spervuur heen. Ze wisten in totaal 11 torpedo’s te laten gaan en 48 bommen te laten vallen. Veel daarvan raakte doel. De Italiaanse vloot verloor door deze aanval haar beschikking over drie slagschepen en een zware kruiser. Het vlaggeschip van de groep, de Conte di Cavour, zou de hele oorlog niet meer in actie komen. De Caio Duilio zou zeven maanden in de lappenmand blijven. Het derde getroffen slagschip, de spiksplinternieuw-blinkende Littorio, werd eveneens zwaar getroffen  en zou na vijf maanden weer blijken te zijn opgelapt. Talloze andere schepen liepen schade op, ook in de binnenhaven van de Mar Piccolo. Daar werden tenslotte ook nog secundaire doelen getroffen, zoals de benzineopslag plaatsen en haveninstallaties (Lamb [1977] 2002, 109-110).  “It seems incredible that only two aircraft were brought down in exchange for that extensive damage, because in opposition to this achievement the ‘lunatic fringe’ of the harbour defences fired a total of 13489 rounds of high-angle anti-aircraft shells at the flare-droppers; 1750 rounds of four-inch, and 7000 rounds of three-inch shells, at the eleven torpedo-droppers and the dive-bombers. There is no record of the amount of armament expended by all the ships, but this greatly exceeded the flak put up by the harbour defences.  All this was aimed at twenty slow-moving, elderly biplanes, dancing a stately minuet in their midst, and performing feats of agility which no other type of aircraft could attempt without falling out of the sky” (Lamb [1977] 2002, 109; cf. Wragg 2003, 120).

Slechts twee Britten hadden de aanval dus niet overleefd terwijl twee anderen na meer dan 130 meter zwemmen zouden eindigden in krijgsgevangenschap (voor hun verhaal, zie Wragg 2003, 118-120). Aan Italiaanse zijde vielen uiteraard wel veel doden te betreuren (al lees ik in deze Engelse literatuur nergens schattingen). De stad Taranto werd achtergelaten in shock.  En ik weet uit eerste hand dat men er  nu nog steeds liever niets meer over hoort.

De Caio Duilio zit getroffen op de bodem van de ondiepe Mar Grande na de aanval. Foto van het boek van Wragg 2003.

De Caio Duilio zit getroffen op de bodem van de ondiepe Mar Grande na de aanval. Foto van het boek van Wragg 2003.

 

De helft van Mussolini’s trotste vloot is die nacht buiten gebruik gesteld.  De “duce” had verzuimd de havenstad goed te beveiligen. Hij geloofde niet in het nut van vliegtuigschepen. Daar kun je niet veel mee. Trouwens, heel Italië zelf is een vliegtuigbasis voor de Middellandse Zee.  Mare Nostrum, “Onze Zee”, zijn zee. Wie kon hem daar raken? (Deze evaluatie, kort door de bocht maar wel goed genomen, is gebaseerd op, behalve de reeds gebruikte drie boeken, ook Denis Mack Smith, Mussolini, Milano 1981, 419). De aanval heeft verschil uitgemaakt, in meerdere opzichten positief voor de Engelsen: ten eerste is de Italiaanse vloot immers feitelijk korte tijd verzwakt geweest en voor de rest van de oorlog enigszins schuchter gebleven;  ten tweede was de opsteker voor de Engelsen, die zich er inmiddels alleen voor gesteld voelden, van groot belang voor het moreel. Daartegenover stond de reactie van de Duitsers; zij begrepen dat ze zelf een meer actieve rol moesten gaan spelen in de verzekering van de Middellandse Zee. Dát zouden ze vooral in Malta goed voelen. Een ander onverwachts neveneffect van de geslaagde actie volgde uit het onopvallende bezoek van een Japanse diplomaat vanuit Berlijn aan de puinhopen in Taranto. Deze militaire attaché heeft zich een goed beeld gevormd van de aanval en zijn bevindingen zouden mogelijk de basis hebben gevormd voor de verrassingsaanval op Pearl Harbor ongeveer een jaar later (7 december 1941); of althans zouden de rapporten misschien tot aanpassingen hebben geleid van reeds door de Japanners ontwikkelde plannen (Wragg 2003, 159-168).

Waarom begon ik hier ook al weer over? Ja, ik weet het weer. Ik was vanmorgen op zoek naar een recente geschiedenis van Taranto (vanwege actuele problemen die verband houden met onder meer het millieu) en trof toen in de Italiaanse Amazon een paar Italiaanse boeken aan over de Aanval op Taranto. Op een van die boeken, getiteld “Taranto: het Italiaanse Pearl Harbor”, prijkt een mooie foto op de achterflap van een Britse kist boven een vliegdekschip, met de verklarende tekst: “Een Swordfish toestel vliegend boven het vliegdekschip Illustrious“.

Het boek van Gustavo Ottolenghi geafficheerd bij de Italiaanse Amazon. De achterflap toont niet het juiste toestel noch het juiste schip (Collage van schermopnames door H.J. Lirb)

Het boek van Gustavo Ottolenghi geafficheerd bij de Italiaanse Amazon. De achterflap toont niet het juiste toestel noch het juiste schip (Collage van schermopnames door H.J. Lirb)

 

Helaas is hier een fout gemaakt in de beeldredactie. (En daarmee zeg ik niks over het boek – dat heb ik nog niet gelezen maar het staat wel op mijn wensenlijstje!) Want het toestel is een Hawker Osprey, een verkennings- en gevechtsvliegtuig dat bij de Fleet Air Arm dienst heeft gedaan van november 1932 tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog (Louis S. Casey & John Batchelor, Naval Aircraft 1914-1939, Phoebus Publishing Paulton (Avon) 1977, 28-29). Deze tweezitter lijkt niet op de Swordfish – die is groter, heeft een stermotor, is een driezitter (de voornoemde ad hoc modificatie houdt die derde cockpit ook zichtbaar).  Het vliegdekschip is niet de Illustrious maar kan óf de HMS Hermes of de HMS Eagle zijn. Dus, nerd die ik soms ben, heb ik online het registratienummer van de kist opgezocht. Deze S1681 is een Hawker Osprey Mark III (www.worldmilitair.com) en zou mogelijk tot het  803e eskader hebben behoord dat geassocieerd wordt met de HMS Eagle (http://crimso.msk.ru/Site/Arts/Art6367.htm).

Om tenslotte bij deze verder geheel onbelangrijke voetnoot bij de geschiedenis – hoewel beeldredactie ook altijd zorgvuldig dient te worden verricht – nu zélf ook nog een voetnoot te plaatsen, presenteer ik de afbeelding van een ander exemplaar van de Osprey (de S699), kennelijk een Mark I (www.worldmilitair.com), uit mijn eigen ansichtkaart collectie.

Hawker Osprey Mark I, Reg nr. S1699 (ansichtkaart in eigen collectie H.J. Lirb)

Hawker Osprey Mark I, Reg nr. S1699 (ansichtkaart in eigen collectie H.J. Lirb). Nogmaals: dit toestel heeft NIKS te maken met de Taranto Raid

En waarom plaats ik deze foto? Omdat het weekend is en ik er blij mee ben. En gaandeweg hebben we weer een klein foutje van anderen opgelost. Goed weekend.

Gele Lis en Echte Koekoeksbloem in de Vrije Geer

Bloemen in de Vrije Geer

Vrije Geer, 21 mei 2014. De Gele Lis (links) en de echte Koekoeksbloem (rechts) (©2014 H.J. Lirb)

Kiekjes. Deze foto’s heb ik gemaakt met mijn GF2 “ritsrats” met kitlens. Feliz en ik waren even door de Vrije Geer gelopen. We hebben er ook geluisterd naar de Winterkoning, de Merel, de Fitis, de Kleine Karekiet en, zo na thuiskomst is gebleken, kennelijk ook de Blauwborst.

 

Domino Day 1914 – honderd jaar geleden

Schermopname van De Volkskrant Online 4 april 2014

Schermopname van De Volkskrant Online 4 april 2014

“Timmermans: Oekraïne toetreding tot EU beloven is geen oplossing” (De Volkskrant 4 april 2014)

Ik heb de allergrootste bewondering voor minister Timmermans. Eerst maande hij op internationaal platform tot voorzichtigheid in de galm van de roep om sancties tegen Rusland vanwege de annexatie van de Krim (wees geen papieren tijger maar doe alleen dat wat zinvol effect zal kunnen hebben) en nu spant hij zich alweer (of nog steeds) in voor het voorkomen van verdere escalatie door te pleiten voor het afzien van het doen van weinig realistische beloftes aan Oekraïne. Oké, zo zullen een boel mensen in repliek misschien het beeld van de “appeasement” willen oproepen om aan te geven dat de dreiging in de 1930er jaren escaleerde doordat de agressor steeds zijn zin kreeg om hem maar niet nóg bozer te maken met de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog tot gevolg (grote stappen, maar daarmee komen we wel thuis). Daar stel ik dan toch maar het algemeen aanvaardde inzicht tegenover dat één van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog de diplomatieke ramp was die volgde uit de werking van de garantieverdragen.

James Joll, The Origins of the First World War, 1984

James Joll, The Origins of the First World War, Longman London & New York 1984

Hoe verliep het ook weer? Serviërs troffen de Oostenrijkers en die Oostenrijkers sloegen daarop terug. De Russen dekten evenwel de Serviërs en zij stelden zich dan ook vijandig op tegen de Oostenrijkers. Die werden evenwel met een garantieverdrag gedekt door de Duitsers zodat zij zich vijandig opstelden tegen de Russen. De Russische veiligheid werd weer gegarandeerd door de Fransen die om die reden dus tegenover de Duitsers kwamen te staan (waar ze sowieso al graag een appeltje mee zouden schillen!). En tegenover de Oostenrijkers. De Engelsen zijn met de betrokkenheid van de Fransen meteen in het spel getrokken. Hoe de Ottomaanse Turken erin werden getrokken weet ik even niet meer maar het ligt voor de hand dat zij fel gekant waren tegen de expansie van de Servische nationalisten. Het oude Concert der europese mogendheden van de negentiende eeuw produceerde opeens een verschrikkelijk wanklank.

Domino Day kwam op 28 juni 1918 in Sarajewo, met de politieke moord op Franz Ferdinand, de troonopvolger van Oostenrijk, door een Servische nationalist. In de komende maand escaleerden de geschillen, die allemaal hun diepere oorzaken hadden (zoals de wapenwedloop, de onopgeloste kwalen van de nasleep van de Frans-Duitse Oorlog, de frustraties over de koloniale expansie etc, waarvoor lees of herlees James Joll, The Origins of the First World War, 1984), tot een maand later alle garantieverdragen als dominosteentjes omvielen. (Of eigenlijk juist in werking traden; wat omviel was de gegarandeerde vrede). Het kluwen van garantieverdragen was niet de diepste oorzaak maar wel de meest opvallende oorzaak en in zekere zin meteen ook weer de meest sluimerende omdat het na de eerste zet een mechanisme in werking stelde dat niet meer kon worden gestopt. Een “systems failure” die nu wel gemakkelijk te beheersen zal zijn? Recepten opdissen uit de geschiedenis is een hachelijke onderneming: zodra iemand “appeasement” roept, denk ik aan Domino Day. Dreiging moest veiligheid garanderen. Dat principe kennen we uit de Koude Oorlog.

Neutraliteit zit er niet in, ook deze keer niet (de meidagen van 1940 natuurlijk indachtig). Ik hoop dat mensen luisteren naar Timmermans. En laten ze James Joll’s boek maar weer eens lezen. Dat kan sowieso geen kwaad.

Museion Molengang – De Bonte Hen

Op 7 mei 2013 brachten molenaars en molenvrienden uit het hele land een bezoek aan de Zaanse Schans om daar het heuglijke feit te vieren dat het ambacht van de molenaar (en dat van de molenmaker) wordt voorgedragen voor opname op de lijst van UNESCO Immaterieel Erfgoed. Het gezelschap bracht eerst een bezoek aan De Bonte Hen. Een van de molenaars op de molen die dag was Hessel de Vries. Ik heb hem in 2007 ontmoet op zijn eigen molen op een veeneilandje in het Guisveld van Westzaan, De Jonge Dirk, toen we opnames maakten voor onze televisieserie Werken met Wind en Water. Het was er zo leuk dat ik een jaar later graag weer opnieuw langskwam, nu met mijn echtgenote, op een open dag. Het regende maar dat gaf niks. En nu was het weer een leuke verrassing om hem vorig jaar ook op De Bonte Hen te zien. Hessel de Vries kende ik dus uiteraard niet echt, maar hij had toch een eerste indruk gemaakt als een innemende man, een vrolijk mens, een bevlogen molenvriend en een geweldige verteller. Dat laatste laat zich een klein beetje proeven, hoop ik, uit de spaarzame beelden die ik vorig jaar nog van hem heb gemaakt. Hij is op de valreep van het nieuwe jaar overleden. Dat nieuws heb ik zojuist vernomen uit de Windbrief, het verenigingsblad van de Zaansche Molen. Dit filmpje heb ik meteen gemonteerd als eerbetoon aan deze grote molenvriend.

(Al het beeld en geluid: © 2014 Huib J. Lirb)

Battle of Britain Memorial Folkestone in 2011

Deze foto is een “grab” van videomateriaal dat ik in 2011 met mijn GH2 heb geschoten in Folkestone. Hier wilde ik al lange tijd heen. Noem het een erekwestie. Van de zoon van een Fokkerman. Van een, in mijn jeugd, fervent Airfix bouwmodellenmaker. Of gewoon van een persoon die gewoon is om met ontzag en respect stilstaat bij het offer dat mensen hebben gebracht voor de vrijheid van anderen. Hoe dan ook, iedere keer als we in Engeland zijn, bezoeken we een monumentale plek om de mensen te gedenken die in 1940 met hun rug tegen de muur, een Atlantische muur als het ware, tegen de opmars van de Nazi’s in het geweer waren. Dit was in 2011. Een paar jaar tevoren zijn we naar het Spitfire & Hurricane memorial in Manston geweest. Nou goed, dat is de context. Verder is het gewoon een mooi beeld, vind ik.

Battle of Britain Memorial Folkestone

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Op de staande stenen in het verschiet staan de namen van de betrokkenen in relief.

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

 

Kort Amerikaans in een vlaag van razernij

Woord van de dag: op-je-eigen-blog-mag-je-zo-nu-en-dan-even-raaskallen

“Acht Amerikaanse staten hebben anti-homowetgeving zoals in Rusland”, kopte de Volkskrant Online vandaag (De Volkskrant 5 februari 2014). “In Utah heeft het bestuur van de staat verboden dat het onderwijzend personeel op scholen ‘homoseksualiteit bepleit’.” Oké, maar daar houdt de schande niet mee op. “Zo verbiedt Arizona het portretteren van homoseksualiteit als ‘een positieve, alternatieve leefstijl’. Ook mag het schoolpersoneel de leerlingen niet vertellen dat er ‘veilige manieren van homoseks’ zijn. Alabama en Texas hebben het verplicht gesteld dat in de lessen over seksuele voorlichting wordt benadrukt dat homoseksualiteit ‘geen levensstijl is die aanvaardbaar is voor het publiek’. In beide staten moeten de kinderen ook leren dat homoseksueel gedrag ‘een strafbaar feit is’.” (ibidem).  

En alsof de schande niet genoeg was….  We zouden de VS soms wel eens wat meer willen toeschreeuwen. Erkent toch de internationale verdragen die de VS hebben gesloten met de First Nations en geeft de Lakota’s alsnog hun Zwarte Heuvels terug! Belijdt dan ook eindelijk schuld aan de misdadige deportatie van indianenvolken uit het oosten. Schaft toch eens dat vermaledijde recht af voor particulieren om vuurwapens bij zich te dragen en misschien wel mee naar school te nemen! Verdiept u in de geschiedenis van de democratische revoluties en erkent de afhankelijkheid hierin van de Oude Wereld! En doet dat ook met de geschiedenis van het abolitionisme (“de Britten waren jullie ruimschoots voor!”) en de multiculturele samenleving (“stopt met de Oprah Winfrey-achtige neiging om álles raciaal op te laden”).

Met als plaatje bij dit artikel een navolgenswaardige Engelsman: William Wilberforce (24 augustus 1759 - 29 juli 1833), parlementariër en leider van de anti-slavernijbeweging (Olieverfschilderij uit 1794 van Anton Hickel (Wikimedia Commons).   In 1807 slaagde hij en zijn team erin de slavenhandel te verbieden en in 1833, kort na zijn dood, vond zijn werk bekroning in de Slavery Abolition Act. De speelfilm met Ioan Gruffyd, Amazing Grace uit 2006, is van harte aanbevolen; aan hem komt in deze context veel meer eer toe dan aan Abraham Lincoln die pas veel later gehoor gaf aan het abolitionisme en dan misschien ook nog voornamelijk uit politiek-strategische motieven. Maar ja, ook dit is weer mijn persoonlijke mening.

Met als plaatje bij dit artikel een navolgenswaardige Engelsman: William Wilberforce (24 augustus 1759 – 29 juli 1833), parlementariër en leider van de anti-slavernijbeweging
(Olieverfschilderij uit 1794 van Anton Hickel (Wikimedia Commons). In 1807 slaagde hij en zijn team erin de slavenhandel te verbieden en in 1833, kort na zijn dood, vond zijn werk bekroning in de Slavery Abolition Act. De speelfilm met Ioan Gruffyd, Amazing Grace uit 2006, is van harte aanbevolen; aan Wilberforce komt in deze context veel meer eer toe dan aan Abraham Lincoln die pas veel later gehoor gaf aan het abolitionisme en dan misschien ook nog voornamelijk uit politiek-strategische motieven.

Dat zou je de Verenigde Staten wel eens willen toeroepen. Net als dit: vergeet niet de bondgenoten te noemen die ook op de stranden van Normandië zijn geland (zoals de Britten die ontbreken in Saving Private Ryan; de Canadezen die eigenlijk standaard in welke context dan ook niet serieus worden genomen) en nodig hun hoogwaardigheidsbekleders uit bij de herdenkingen (de Britten waren overgeslagen de vorige keer). Stopt trouwens met de misplaatste veronderstelling dat jullie ons hebben gered als enigen, en uitsluitend uit de goedheid van jullie collectieve politieke hart, want, afgezien van het feit dat ik het diepste respect heb en de grootste waardering voor al die soldaten die zichzelf voor onze vrijheid en veiligheid in gevaar hebben gebracht – en dat is voor mij een heilige waarheid – de VS deden pas mee nadat ze zich door de aanval op Pearl Harbor ertoe gedwongen voelden; vóór die tijd liep Churchill tevergeefs om steun te leuren. Vrijwilligers die de neutraliteit dreigden te verstoren werden vervolgd. De kosten van de uiteindelijke hulp aan het belegerde Engeland zijn ook gewoon op rekening gezet en hebben bijgedragen tot het faillissement van dat land na de oorlog. En voor wiens voordeel de helft van Europa in de invloedssfeer van de VS is getrokken, leren we uit deelgeschiedenissen van de Koude Oorlog. Ik denk nu zelf meteen aan Griekenland en Cyprus.

Een transatlantische scheldpartij, dat moet ook eens kunnen.  Want de hegemonie van de VS heeft in de loop van de geschiedenis op vele plekken een grote tol geëist. En we weten allemaal dat de geheimzinnigheden de Koude Oorlog hebben overleefd. In de Veiligheidsraad is recentelijk nog gelogen omtrent het “bewijs” voor massavernietigingswapens in het arsenaal van de zoveelste boeman die eerder zelf door de VS was geïnstalleerd als buffer voor de as van het kwaad (avant la lettré). Dat was Saddam, een paar boeven geleden alweer. Ja, misschien was Fidel ook een boef, maar als het aan de VS hadden gelegen dan zou er niet eens een poging zijn ondernomen om iets te doen aan de schrijnende uitbuiting van de arme bevolking van Cuba door de kapitalistische ondernemingen en hun zetbazen. Daarmee stippen we een aardig trefwoord aan dat voor een groot deel van Zuid-America geldt. Daar leven overigens hele bevolkingen die óók “Amerikanen” zijn. Maar in lijn met de hegemonie van de VS is die naam gereserveerd geraakt voor de “Verenigde Stateners”. Alsof een Mexicaan of een Boliviaan geen recht meer hebben op de naam van hun eigen continent.

Overigens, lekker gemakkelijk, die vastbesloten weigering, vooraf verklaard en verzekerd, om ooit iemand uit te leveren voor rechtspraak buiten-de-eigen-jusrisdictie, zoals aan het Internationaal Hof van Strafrecht – nooit zal een Amerkaanse militair worden uitgeleverd voor berechting wegens vermeende oorlogsmisdaden. “Als het niet Amerikaans is, is het niet goed en niet te vertrouwen”. Het maakt niet uit hoeveel Italiaanse rechtbanken de Amerikaanse staatsburger Knox al hebben veroordeeld, ze leveren haar niet uit. Maar de Nederlandse DJ moeten we wel ophoesten voor een zwaard van Damocles ter waarde van tientallen jaren voor, wat, een paar jointjes? Trouwens, alsof die juryrechtspraak bij hun thuis zo zuiver is. Alsof het zo rechtvaardig is om mensen na hun derde winkeldiefstal 30, 60, of voor mijn part 548 jaar cel op te leggen. En dat grenzeloze geloof in de eigen morele superioriteit! Alsof ze de democratie hebben uitgevonden en, ik heb er zojuist al over geklaagd, de gelijkheid van rechten. Bringing Democracy to the World. Hoe groot is de kans dat je met 250 miljoen inwoners steeds weer uitkomt op series van presidenten, senatoren, ministers en gouverneurs uit dezelfde families – Adams, Roosevelt, Kennedy, Bush, Clinton etc. Dat zegt toch wat over de democratische praktijk. Door onveranderlijke mechanismes van partijfinanciering, lobbying, massacommunicatie etc. komt de democratische wereld van de VS toch ook uit op iets dat vergelijkbaar is met die beschimpte “adel” van de Oude Wereld? Kijk, in Europa is ook van alles mis: maar bij ons klimmen de onbekende grijze muizen ongezien op vanuit de bureaucratieën en partijmachines van de lidstaten.

…. Stop, ik lijk wel een radicaal linkse rakker. Dat ben ik misschien niet hier in Nederland, althans niet overmatig, maar zo zou ik wel overkomen in de VS: daar is een algemene ziektekostenverzekering voor de talloze mensen immers al hoogst problematisch en veel te socialistisch.

Heb ik iets niet goed begrepen van de VS? De pot verwijt de ketel – bekijk een willekeurige uitzending van Amerikaanse “documentaires” waar Nederland in voorkomt en je moet concluderen dat ze weinig weten van die groezelige en achterlijke Oude Wereld die Europa heet. Amsterdam, ligt dat niet in Denemarken? Euthansie? We hebben onlangs, op meerdere gelegenheden, gezien op TV hoe prominente opiniemakers in de VS in de afgelopen jaren beschamende aantijgingen hebben gedaan als zou men in Nederland ongewenste baby’s en bejaarden zomaar vermoorden (denk bijvoorbeeld aan de republikeinse presidentskandidaat tijdens de voorverkiezingen van 2012, Rick Santorum).

Ik bedoel maar te zeggen, er scheelt nogal wat aan de supermogendheid die bevolkt wordt door al te veel onwetenden die steeds menen de oerbron te zijn voor alles wat goed en rechtvaardig is in de wereld. En natuurlijk is ook mijn razernij gericht op een karikatuur. Maar als die écht de plank mis zou slaan, die karikatuur, en als de opgeworpen misvattingen, vooroordelen, en zelfoverschattingen (gepaard met de geringschatting van anderen) nou echt marginaal zouden zijn, hoe kan het dan zijn dat die verschrikkelijke hypocrisie toch kracht van wet heeft in sommige staten van de VS? Één foute staat is al een smet op het blazoen van de Vereniging.

Maar dat is natuurlijk allemaal maar politiek. Wereldpolitiek. Smerige politiek. Aan de mensen van goede wil en morele ruggengraat ligt het niet. Die zijn er gelukkig overal. Ook in de VS. En daarom hoop ik er toch ook ooit eens te komen. (Als dat nog mag, nu dit stuk in de vaste collectie van de NSA terecht zal zijn gekomen, samen met die miljoenen andere uitingen van de vrije mening die Europeanen dagelijks publiceren op Facebook en elders.) Ik moet in ieder geval niet vergeten een regenboogvlaggetje aan mijn reiskoffer te hangen als ik naar Utah of Texas ga. Dat is de solidariteit van de Oude Wereld.

 

Naschrift d.d. 7 februari 2014: de werkelijke wereld wordt nog wonderlijker, nu blijkt dat een 16 jarige jongen uit California celstraf ontweken heeft (voor het doodrijden van vier mensen) op grond van de veronderstelling (of projectie) dat hij zou lijden aan de sociale ziekte “affluenza”, d.w.z. zijn gebrek om de gevolgen voor zijn acties te dragen omdat zijn rijke ouders hem altijd met geld buiten schot hebben weten te houden (De Volkskrant Online 07-02-2014). Kortom: vergeef hem want hij is onverantwoordelijk opgevoed. Zouden trouwe fans van het verderfelijke computerspelletje Grand Theft Auto misschien ook in aanmerking kunnen komen voor vrijspraak? Alleen in de VS. Althans, dat mogen we hopen.  Zelf zal ik, mocht ik in problemen komen met een strafrechter, pleiten voor mijn vrijspraak op grond van povertyphus. Maar die sociale ziekte heeft rechters in het verleden zelden tot genade bewogen. Sterker nog: de Engelse rechters hebben de armen die met de Wet in aanraking komen decennia lang gedeporteerd naar het einde van de wereld op het continent Australië. 

Dwaal ik af? Nee. Dat doen de rechters in California.

(PS. Voor de naam “Povertyphus” heb ik geen verwijzing; die  heb ik net zelf verzonnen.)

De laatste soldaat van de Japanse keizer: Hiroo Onoda (19 maart 1922 – 16 januari 2014)

 Boeken over verscholen Japanse militairen die lang niet hebben geweten dat de oorlog voorbij was (Foto Huib J. Lirb)

Boeken over verscholen Japanse militairen die lang niet hebben geweten dat de oorlog voorbij was (Foto Huib J. Lirb)

Op 16 januari 2014 is een Japanse veteraan overleden die onbedoeld wereldberoemd is geworden als een van de zogenaamde “achterblijvers” (“stragglers”) die in de onherbergzame gebieden van Oost-Azië vanaf 1945 lang verscholen zijn gebleven als guerillastrijders in de veronderstelling dat de oorlog nog niet was afgelopen.

Luitenant Hiroo Onoda heeft bijna dertig jaar verscholen geleefd in de jungle van Lubang, een eiland in de Philippijnen. Al die jaren is hij opgejaagd geweest door Amerikaanse en Philippijnse militairen, door politiemensen en woedende eilanders. Aanvankelijk voerde hij het bevel over een kleine groep achterblijvers van verschillende eenheden met de opdracht guerrilla-aanvallen uit te voeren tot er aansluiting kon worden gemaakt met verse troepen, in de wetenschap dat, althans voor een korte tijd, er op het eiland ook andere eenheden nog actief waren (Hiroo Onoda, No Surrender. My Thirty-Year War, Translated by Charles S. terry, Naval Institute Press, Annapolis Maryland 1974, 86-7). Al snel werd de groep gereduceerd tot vier man in 1946. Soldaat 1e Klasse Akatsu “deserteerde” in 1949 (Onoda 1974, 89), net als de naburige eenheid van 41 man onder leiding van korporaal Fujita kort voor hem (ibid., 79), naar de onbekende werkelijkheid van de rest van de wereld. In de loop der jaren heeft het resterende drietal talloze sabotageaanvallen uitgevoerd op bijvoorbeeld de gebouwen en rijstvoorraden van de lokale bevolking. “In order to clear the way for the Japanese landing party that we continued to expect, we adopted guerrilla tactics aimed at enlarging the territory under our control and keeping out all enemy trespassers” (ibid. 155). Het ging ze dus niet om het treiteren. “We thought of the fires as beacons signalling to friendly troops who might be in the vicinity of Lubang that the ‘Onoda Squadron’ was alive and carrying out its duties” (ibid.).

Hiroo Onoda in 1944 (Wikimedia commons)

Hiroo Onoda in 1944 (Wikimedia commons)

Door de eilanders om begrijpelijkerwijs gevreesd en gehaat, werden de “bergduivels” opgejaagd. In 1953 raakte Korporaal Shimada gewond in een vuurgevecht met een groep vissers (Onoda 1974, 101-2); het jaar daarop werd Shimada op slag gedood door een kogel van Philippijnse militairen die naar hen op zoek waren en die op dat moment door de Japanse “bergduivels” onder vuur waren genomen. Het resterende duo ging stug door met de guerillastrijd om te overleven tot in 1972 ook soldaat 1e klasse Kozuka werd gedood in een vuurgevecht, dit keer met de politie. Het verlies van Kozuka, de helft van de schamele Onoda-Eenheid, heeft de luitenant alleen maar dieper doen wegduiken van de verschillende gerichte zoekacties die vanuit Japan werden georganiseerd.

Er zijn wél veel pogingen ondernomen om de vervreemde mannen uit hun waanwereld te doen loskomen. In de loop van de 1950er en 1960er jaren is herhaaldelijk geprobeerd contact met de Japanse achterblijvers te bewerkstelligen, door op meerdere plaatsen actuele kranten te verspreiden, door ze met megafoons uit te nodigen tevoorschijn te komen, door pamfletten uit vliegtuigen te gooien (bijv. ibid., 79, 99, 109-128). Bij deze acties werden de achterblijvers, inmiddels geïdentificeerd, persoonlijk aangesproken en soms zelfs door hun eigen familieleden (ibid. 182). Toch weigerden de guerillastrijders zich te laten “misleiden” door deze “valse” berichten. Toen ze in 1950 door de megafoon de aansporingen hoorden van de “deserteur” Akatsu werden ze alleen maar gesterkt in hun overtuiging dat de Amerikanen achter alle toenaderingspogingen zaten (ibid. 92-93; Akatsu liet ook een brief achter met de mededeling dat hij door de Philippijnse militairen goed was ontvangen). De ene keer vonden ze het vreemd dat ze als infanteristen per megafoon werden toegesproken door een Japanse marineofficier (ibid. 114); een andere keer leek het Hiro dat er spelfouten zaten in de handtekeningen die een schoonzuster en een neef op een Japanse vlag hadden gezet die speciaal voor de achterblijvers in het gebied werd geplaatst met alweer een aansporing om tevoorschijn te komen (ibid. 109-110); zelfs een familiefoto met zijn ouders, zusters en hun kinderen kon hem niet overtuigen, omdat de etiquette van het bijschrift hem vreemd voorkwam (ibid. 111; voor ingewijden, er was sprake van “Onoda-san” in plaats van gewoon “Onoda”). “More and more leaflets that we regarded as fake were dropped on the island, and every time they fell, we thought that the Japanese attack was drawing closer. Evidently the Japanese forces in other places were advancing to the extent that they could start harassing the enemy in the Philippines” (ibid. 111). “Hiroo, come out”, klonk het opeens door de megafoon in 1959, “This is your brother Toshio. Kozuka’s brother Fukuji has come with me. This is your last day here. Please come out where we can see you” (ibid. 117). Daar trapte hij niet in. Kennelijk hadden ze een krijgsgevangene gevonden die op zijn broer leek en die opgedragen de stem van Toshio te imiteren van de een of andere geluidsopname. ‘Tuurlijk. Kon niet anders. Ze waren in de veronderstelling, die werd bereikt via vele dwalingen, dat alle persoonlijke berichten bedoeld waren om hun moreel op te vijzelen en concludeerden bijvoorbeeld uit het feit dat er goedkoop papier was gebruikt dat de berichten over alle troepen in de wijde regio moesten zijn verspreid. De versterkingen waren dus op komst! Dat moest wel. Uit de achtergelaten kranten bleek het immers goed te gaan met Japan. Het land was nog steeds sterk (ibid. 119). En in de verte hoorden ze al bommen afgaan. Ze wisten niet dat die vielen op een oefenterrein van de Philippijnse luchtmacht (ibid. 113).

Vanaf 1972 moest luitenant Onoda zijn eenzame strijd ook echt alleen voortzetten. Na de dood van zijn trouwe soldaat Kozuka, en juist toen ook na 28 jaar sergeant Yokoi door eerdere achterblijvers uit de jungle van Guam werd gehaald (zie hieronder), werden de inspanningen vanuit Japan om hem te bewegen uiteindelijk toch tevoorschijn te komen fors opgeschroefd. Bij het graf van zijn wapenbroeder werden brieven gelegd. Maar de stemmen van zijn broer Tadao en zijn zuster Chie konden hem nog steeds niet uit de jungle lokken. De truc met de stemvervalsing hadden ze in 1959 ook al uitgehaald, “wist” hij, toen de stem van de imitator van zijn jongere broertje Toshio weerklonk over de hellingen en hij in de verte een gestalte zag die inderdaad wel wat van hem weg had.

Bladzijde uit het boek van Onoda. Hij sliep gekleed op de hellingen met een verhoging onder zijn voeten om niet weg te glijden.

Bladzijde uit het boek van Onoda. Hij sliep gekleed op de hellingen met een verhoging onder zijn voeten om niet weg te glijden.

Niets of niemand kon luitenant Onoda dus van zijn militaire opdracht afhouden om zijn sector van het eiland veilig te stellen voor een toekomstige landing van Japanse troepen. Behalve natuurlijk een dienstbevel. Dat bleek toen in februari 1974 de jonge avonturier Norio Suzuki het waagde om de luitenant te provoceren tot ingrijpen door heel irritant opzichtig in zijn eentje te kamperen in de sector van Onoda. Suzuki dwong aldus een ontmoeting af waarin hij vroeg wat er voor nodig zou zijn om Onoda te overtuigen dat de strijd moest worden opgegeven. Een direct dienstbevel van de majoor Taniguchi was zijn antwoord (ibid. 196 e.v.). Inderdaad hebben ze kort daarna zijn oude commandant Taniguchi in 1974 naar Lubang laten overkomen. Naar zijn dienstbevel om zich over te geven heeft hij toen geluisterd (ibid. 213 e.v.). Met een schok kwam er een eind aan zijn denkbeeldige wereld waarin het keizerlijk Japan nog steeds aan het vechten was voor “Het Grotere Oost-Aziatische Domein van Gezamelijke Voorspoed” (“Greater East Asia Co-Prosperity Sphere”), zeg maar, het “Grotere Japanse Gemenebest” (ibid., 123-6).

“It stayed with me”, deze denkbeeldige werkelijkheid, “until the day Major Taniguchi gave me my final orders. In the days when I was completely alone, it seemed even more real than before [dus vóór het verlies van zijn wapenbroeder]. That is why I was psychologically unable to respond even when I saw members of my family and heard them calling to me. Not until I returned to Japan and looked out the window of my hotel at the streets of Tokyo did I understand that my world was no more than a figment of my imagination” (ibid. 126) De nieuwe werkelijkheid kwam hard binnen. “When finally I did see those thousands of cars in Tokyo, moving along the streets and the elevated expressways without a sign of war anywhere, I cursed myself. For thirty years on Lubang I had polished my rifle every day. For what? For thirty years I had thought I was doing something for my country, but now it looked as though I had just caused a lot of people a lot of trouble” (ibid. 126).

Het is te gemakkelijk om achterblijvers als luitenant Hiroo Onoda en zijn manschappen te ridiculiseren (zie bijvoorbeeld de toon van een krantenbericht over “their pathetic story” in The Milwaukee Journal, 30-09-1967) om hun waanbeelden die door een aaneenschakeling van min of meer toevallige gebeurtenissen in volstrekt isolement konden worden gevormd. Ze voelden zich belast met een doorlopende opdracht die ze niet mochten verzaken, alle pogingen tot bestrijding en misleiding door de vijand ten spijt, en ze meenden steeds weer aanwijzingen te krijgen dat hun waanideeën werkelijkheid waren. Soortgelijke moeilijkheden om in verholenheid aan de eigen voorstellingen te ontstijgen herinner ik me te hebben gelezen in de verhalen van andere Japanse achterblijvers. De achterblijvers Masashi Ito en Bunzo Minakawa hebben 15 jaar geleefd als verborgen bosdieren op Guam tot ze in 1960 eindelijk hun eigen stenen gedenkschriften konden lezen in Japan (Ito Masashi, The Emperor’s Last Soldiers, 1967; Panther Books London 1968, 159). Uiteraard wekte die omstandigheid wereldwijd grote verwondering: “Lionized as national heroes, the emperor’s last soldiers were to gaze in awe at their own tombstones and find it hard to sleep in nights without danger” (The Milwaukee Journal, 30-09-1967).

Japanse achterblijvers Ito en Minakawa vlak na hun overgave / redding

Japanse achterblijvers Ito en Minakawa vlak na hun overgave / redding (foto genomen uit het boek waarnaar wordt verwezen in de tekst).

Maar Ito en Minakawa waren niet de laatste soldaten van de keizer. Zij stonden in 1972 sergeant Shoichi Yokoi bij, die 28 jaar in een zelfgegraven gat in de grond had gewacht op de komst van een grote troepenmacht uit Japan, aanvankelijk met negen anderen, lange tijd met zijn drieën en de laatste acht jaar helemaal alleen (Asahi Shimbun correspondents group, 28 Years in the Guam Jungle. Sergeant Yokoi Home from World War II, Japan Publications, Tokyo & San Francisco 1972, 5-6). Na hun eigen bevrijding uit de verlengde oorlog hebben Ito en Minagawa actief geholpen om andere achterblijvers als Yokoi uit de jungle te krijgen. Zij kenden Yokoi persoonlijk uit 1944 (ibid. 41-2). Op de vraag, tijdens een persconferentie vlak na zijn redding, waarom Yokoi niet tevoorschijn kwam toen ze hem in het Japans door de luidsprekers daartoe opriepen, antwoordde hij: “I didn’t come out because I was afraid….When I was a kid, in Japan, I was trained. The spirit of Japan is to die the way the cherry blosoms go: without shame. I was afraid I wouldn’t go that way” (ibid. 44). In 1972 kon ook Yokoi zijn eigen cenotaaf lezen in zijn geboorteplaats (ibid. 47).

 

Sergeant Yokoi vlak na zijn ontdekking en redding uit de jungle van Guam

Sergeant Yokoi vlak na zijn ontdekking en redding uit de jungle van Guam (foto genomen van het boek waarnaar verwezen wordt in de tekst).

Men was in 1951 zeer verbaasd dat er nog steeds zo nu en dan achterblijvers uit de jungle tevoorschijn kwamen, schoorvoetend want bang voor marteling en executie door de Amerikanen, zoals hen door hun eigen legerleiding was voorgespiegeld. Maar er waren voor achterblijvers ook andere redenen dan doodsangst om op hun post te blijven. Voor Yokoi lijkt het de schaamte te zijn geweest om überhaupt de militaire nederlaag te hebben overleefd. In zijn geval heeft het misschien verschil uitgemaakt dat het zijn vroegere meerdere was, Ito, die hem 28 jaar later heeft weten te over te halen uit zijn schuilplaats te komen na eerst zelf die “schande” te hebben getrotseerd. Ook luitenant Onoda heeft zijn sector verdedigd tot nader order van zijn eigen majoor 30 jaar later. Als de trouwe hond van Odysseus heeft hij gewacht op de terugkeer van zijn baas. Is dat een overdreven romantische vergelijking? Volgens mij niet. Deze verhalen gaan misschien om de schaamte en angst, maar net zoveel om trouw en militaire eer: de militair blijft op zijn post tot nader order. Zoals de vertaler van het manuscript van Onoda, Charles S. Terry, het in 1974 schreef in het voorwoord: “At the end of his book, Onoda asks himself what he had been fighting for all these years. My opinion is that it was for integrity. Whether Onoda continues to be regarded as a hero is for the future to decide, but I suspect he will, because in the end he won his war” (Onoda 1974, 10).

Persoonlijke noot. Dit stukje heb ik geschreven naar aanleiding van het bericht dat Hiroo Onoda gisteren, 16 januari 2014, op 91-jarige leeftijd is overleden. Zijn naoorlogse wereld heeft toch nog 40 jaar geduurd. De drie boeken heb ik enige jaren geleden antiquarisch gekocht naar aanleiding van de berichten dat er zo laat als in 2005 nog twee Japanse achterblijvers zouden zijn gevonden op Mindanao; deze mensen, Yoshio Yamakawa, 87 jaar, en Tsuzuki Nakauchi, 85 jaar,  lijken echter altijd op de hoogte te zijn geweest van de geopolitieke werkelijkheden maar ervoor te hebben gekozen op de Filippijnen te blijven (zie  BBC News online 27-05-2005). Het is best wonderlijk, en bepaald ongemakkelijk moet ik toegeven, om de geschiedenis even te bekijken vanuit het perspectief van de Japanse militairen. Op zich zit er in de verhalen van deze achterblijvers nog niet zulke schokkende aspecten; dat was anders toen we  we vorig jaar op televisie een Japanse veteraan hoorden vertellen over zijn deelname aan de massa-executies in Nanking – de man was nog steeds trots op de wijze waarop ze de ongelukkigen wisten wijs te maken dat alles goed zou komen en, mogelijke culturele verschillen in gelaatsuitdrukkingen in acht nemende, ik zweer dat ik de man erbij zag lachen van zelfgenoegzaamheid. Iedere oorlog kent zijn misdadigers en meestal in bulk.

Wat ik wél bijzonder onprettig vond om te lezen vandaag is een passage uit het boek dat een naamloos gebleven collectief van correspondenten van de Asahi Shimbun over de ontdekking en thuiskomst van sergeant Yokoi had geschreven. Zojuist aangekomen in Guam op zoek naar het verhaal van Yokoi, maakte de Japanse correspondent een praatje met een lokale winkelier en vroeg hem of hij veel Japanse toeristen kreeg. Na het bevestigende antwoord vroeg hij hem naar zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting. Die bleken slecht. Hij was als kind herhaaldelijk mishandeld door de Japanners en zijn zuster werd door hen vermoord. “I’m very sorry such a thing happened”, antwoordde de correspondent naar eigen zeggen, waarop de vrouw van de winkelier zou hebben toegevoegd dat zulke dingen nu eenmaal altijd gebeuren in een oorlog. “I was at a loss for something to say, but the man went on, ‘Not all Japanese are bad. Right?’ He nodded as if to convince me.” De aansluitende beschouwing is opmerkelijk: “The people who found sergeant Yokoi had lost some of their relatives at the hands of Japanese soldiers. We Japanese talk much about our peculiar position as victims of the atomic  bomb, and we decry war as massacre. But how great is the difference  [>] between the words of  these island people, who had been victims of war too, and the anger of the those [sic.] who suffered in the atomic attacks! How great is the damage we did in the  South Pacific and in China!  The words of the owner of this store and his wife , both of whom are younger than Yokoi, depressed me” (Asahi Shimbun correspondents group, 28 Years in the Guam Jungle. Sergeant Yokoi Home from World War II, Japan Publications, Tokyo & San Francisco 1972, 21-22). Tja, de atoombommen schijnen dus in twee grote klappen aanvankelijk de schuld van de ene generatie te hebben weggevaagd dat dan 28 jaar later door een volgende generatie op een eilandje als bij verrassing opnieuw moet worden ontdekt. Het is een opmerkelijke verschuiving in de perceptie van goede en kwade krachten in de wereldgeschiedenis. Genoeg erover.

De holwoning van Yokoi was bedekt met bamboe (Foto genomen van het boek)

De holwoning van Yokoi was bedekt met bamboe (Foto genomen van het boek waarnaar wordt verwezen in de tekst.)