Domino Day 1914 – honderd jaar geleden

Schermopname van De Volkskrant Online 4 april 2014

Schermopname van De Volkskrant Online 4 april 2014

“Timmermans: Oekraïne toetreding tot EU beloven is geen oplossing” (De Volkskrant 4 april 2014)

Ik heb de allergrootste bewondering voor minister Timmermans. Eerst maande hij op internationaal platform tot voorzichtigheid in de galm van de roep om sancties tegen Rusland vanwege de annexatie van de Krim (wees geen papieren tijger maar doe alleen dat wat zinvol effect zal kunnen hebben) en nu spant hij zich alweer (of nog steeds) in voor het voorkomen van verdere escalatie door te pleiten voor het afzien van het doen van weinig realistische beloftes aan Oekraïne. Oké, zo zullen een boel mensen in repliek misschien het beeld van de “appeasement” willen oproepen om aan te geven dat de dreiging in de 1930er jaren escaleerde doordat de agressor steeds zijn zin kreeg om hem maar niet nóg bozer te maken met de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog tot gevolg (grote stappen, maar daarmee komen we wel thuis). Daar stel ik dan toch maar het algemeen aanvaardde inzicht tegenover dat één van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog de diplomatieke ramp was die volgde uit de werking van de garantieverdragen.

James Joll, The Origins of the First World War, 1984

James Joll, The Origins of the First World War, Longman London & New York 1984

Hoe verliep het ook weer? Serviërs troffen de Oostenrijkers en die Oostenrijkers sloegen daarop terug. De Russen dekten evenwel de Serviërs en zij stelden zich dan ook vijandig op tegen de Oostenrijkers. Die werden evenwel met een garantieverdrag gedekt door de Duitsers zodat zij zich vijandig opstelden tegen de Russen. De Russische veiligheid werd weer gegarandeerd door de Fransen die om die reden dus tegenover de Duitsers kwamen te staan (waar ze sowieso al graag een appeltje mee zouden schillen!). En tegenover de Oostenrijkers. De Engelsen zijn met de betrokkenheid van de Fransen meteen in het spel getrokken. Hoe de Ottomaanse Turken erin werden getrokken weet ik even niet meer maar het ligt voor de hand dat zij fel gekant waren tegen de expansie van de Servische nationalisten. Het oude Concert der europese mogendheden van de negentiende eeuw produceerde opeens een verschrikkelijk wanklank.

Domino Day kwam op 28 juni 1918 in Sarajewo, met de politieke moord op Franz Ferdinand, de troonopvolger van Oostenrijk, door een Servische nationalist. In de komende maand escaleerden de geschillen, die allemaal hun diepere oorzaken hadden (zoals de wapenwedloop, de onopgeloste kwalen van de nasleep van de Frans-Duitse Oorlog, de frustraties over de koloniale expansie etc, waarvoor lees of herlees James Joll, The Origins of the First World War, 1984), tot een maand later alle garantieverdragen als dominosteentjes omvielen. (Of eigenlijk juist in werking traden; wat omviel was de gegarandeerde vrede). Het kluwen van garantieverdragen was niet de diepste oorzaak maar wel de meest opvallende oorzaak en in zekere zin meteen ook weer de meest sluimerende omdat het na de eerste zet een mechanisme in werking stelde dat niet meer kon worden gestopt. Een “systems failure” die nu wel gemakkelijk te beheersen zal zijn? Recepten opdissen uit de geschiedenis is een hachelijke onderneming: zodra iemand “appeasement” roept, denk ik aan Domino Day. Dreiging moest veiligheid garanderen. Dat principe kennen we uit de Koude Oorlog.

Neutraliteit zit er niet in, ook deze keer niet (de meidagen van 1940 natuurlijk indachtig). Ik hoop dat mensen luisteren naar Timmermans. En laten ze James Joll’s boek maar weer eens lezen. Dat kan sowieso geen kwaad.

Museion Molengang – De Bonte Hen

Op 7 mei 2013 brachten molenaars en molenvrienden uit het hele land een bezoek aan de Zaanse Schans om daar het heuglijke feit te vieren dat het ambacht van de molenaar (en dat van de molenmaker) wordt voorgedragen voor opname op de lijst van UNESCO Immaterieel Erfgoed. Het gezelschap bracht eerst een bezoek aan De Bonte Hen. Een van de molenaars op de molen die dag was Hessel de Vries. Ik heb hem in 2007 ontmoet op zijn eigen molen op een veeneilandje in het Guisveld van Westzaan, De Jonge Dirk, toen we opnames maakten voor onze televisieserie Werken met Wind en Water. Het was er zo leuk dat ik een jaar later graag weer opnieuw langskwam, nu met mijn echtgenote, op een open dag. Het regende maar dat gaf niks. En nu was het weer een leuke verrassing om hem vorig jaar ook op De Bonte Hen te zien. Hessel de Vries kende ik dus uiteraard niet echt, maar hij had toch een eerste indruk gemaakt als een innemende man, een vrolijk mens, een bevlogen molenvriend en een geweldige verteller. Dat laatste laat zich een klein beetje proeven, hoop ik, uit de spaarzame beelden die ik vorig jaar nog van hem heb gemaakt. Hij is op de valreep van het nieuwe jaar overleden. Dat nieuws heb ik zojuist vernomen uit de Windbrief, het verenigingsblad van de Zaansche Molen. Dit filmpje heb ik meteen gemonteerd als eerbetoon aan deze grote molenvriend.

(Al het beeld en geluid: © 2014 Huib J. Lirb)

Battle of Britain Memorial Folkestone in 2011

Deze foto is een “grab” van videomateriaal dat ik in 2011 met mijn GH2 heb geschoten in Folkestone. Hier wilde ik al lange tijd heen. Noem het een erekwestie. Van de zoon van een Fokkerman. Van een, in mijn jeugd, fervent Airfix bouwmodellenmaker. Of gewoon van een persoon die gewoon is om met ontzag en respect stilstaat bij het offer dat mensen hebben gebracht voor de vrijheid van anderen. Hoe dan ook, iedere keer als we in Engeland zijn, bezoeken we een monumentale plek om de mensen te gedenken die in 1940 met hun rug tegen de muur, een Atlantische muur als het ware, tegen de opmars van de Nazi’s in het geweer waren. Dit was in 2011. Een paar jaar tevoren zijn we naar het Spitfire & Hurricane memorial in Manston geweest. Nou goed, dat is de context. Verder is het gewoon een mooi beeld, vind ik.

Battle of Britain Memorial Folkestone

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Op de staande stenen in het verschiet staan de namen van de betrokkenen in relief.

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

Battle of Britain Memorial Folkestone ©2011 Huib J. Lirb

 

Kort Amerikaans in een vlaag van razernij

Woord van de dag: op-je-eigen-blog-mag-je-zo-nu-en-dan-even-raaskallen

“Acht Amerikaanse staten hebben anti-homowetgeving zoals in Rusland”, kopte de Volkskrant Online vandaag (De Volkskrant 5 februari 2014). “In Utah heeft het bestuur van de staat verboden dat het onderwijzend personeel op scholen ‘homoseksualiteit bepleit’.” Oké, maar daar houdt de schande niet mee op. “Zo verbiedt Arizona het portretteren van homoseksualiteit als ‘een positieve, alternatieve leefstijl’. Ook mag het schoolpersoneel de leerlingen niet vertellen dat er ‘veilige manieren van homoseks’ zijn. Alabama en Texas hebben het verplicht gesteld dat in de lessen over seksuele voorlichting wordt benadrukt dat homoseksualiteit ‘geen levensstijl is die aanvaardbaar is voor het publiek’. In beide staten moeten de kinderen ook leren dat homoseksueel gedrag ‘een strafbaar feit is’.” (ibidem).  

En alsof de schande niet genoeg was….  We zouden de VS soms wel eens wat meer willen toeschreeuwen. Erkent toch de internationale verdragen die de VS hebben gesloten met de First Nations en geeft de Lakota’s alsnog hun Zwarte Heuvels terug! Belijdt dan ook eindelijk schuld aan de misdadige deportatie van indianenvolken uit het oosten. Schaft toch eens dat vermaledijde recht af voor particulieren om vuurwapens bij zich te dragen en misschien wel mee naar school te nemen! Verdiept u in de geschiedenis van de democratische revoluties en erkent de afhankelijkheid hierin van de Oude Wereld! En doet dat ook met de geschiedenis van het abolitionisme (“de Britten waren jullie ruimschoots voor!”) en de multiculturele samenleving (“stopt met de Oprah Winfrey-achtige neiging om álles raciaal op te laden”).

Met als plaatje bij dit artikel een navolgenswaardige Engelsman: William Wilberforce (24 augustus 1759 - 29 juli 1833), parlementariër en leider van de anti-slavernijbeweging (Olieverfschilderij uit 1794 van Anton Hickel (Wikimedia Commons).   In 1807 slaagde hij en zijn team erin de slavenhandel te verbieden en in 1833, kort na zijn dood, vond zijn werk bekroning in de Slavery Abolition Act. De speelfilm met Ioan Gruffyd, Amazing Grace uit 2006, is van harte aanbevolen; aan hem komt in deze context veel meer eer toe dan aan Abraham Lincoln die pas veel later gehoor gaf aan het abolitionisme en dan misschien ook nog voornamelijk uit politiek-strategische motieven. Maar ja, ook dit is weer mijn persoonlijke mening.

Met als plaatje bij dit artikel een navolgenswaardige Engelsman: William Wilberforce (24 augustus 1759 – 29 juli 1833), parlementariër en leider van de anti-slavernijbeweging
(Olieverfschilderij uit 1794 van Anton Hickel (Wikimedia Commons). In 1807 slaagde hij en zijn team erin de slavenhandel te verbieden en in 1833, kort na zijn dood, vond zijn werk bekroning in de Slavery Abolition Act. De speelfilm met Ioan Gruffyd, Amazing Grace uit 2006, is van harte aanbevolen; aan Wilberforce komt in deze context veel meer eer toe dan aan Abraham Lincoln die pas veel later gehoor gaf aan het abolitionisme en dan misschien ook nog voornamelijk uit politiek-strategische motieven.

Dat zou je de Verenigde Staten wel eens willen toeroepen. Net als dit: vergeet niet de bondgenoten te noemen die ook op de stranden van Normandië zijn geland (zoals de Britten die ontbreken in Saving Private Ryan; de Canadezen die eigenlijk standaard in welke context dan ook niet serieus worden genomen) en nodig hun hoogwaardigheidsbekleders uit bij de herdenkingen (de Britten waren overgeslagen de vorige keer). Stopt trouwens met de misplaatste veronderstelling dat jullie ons hebben gered als enigen, en uitsluitend uit de goedheid van jullie collectieve politieke hart, want, afgezien van het feit dat ik het diepste respect heb en de grootste waardering voor al die soldaten die zichzelf voor onze vrijheid en veiligheid in gevaar hebben gebracht – en dat is voor mij een heilige waarheid – de VS deden pas mee nadat ze zich door de aanval op Pearl Harbor ertoe gedwongen voelden; vóór die tijd liep Churchill tevergeefs om steun te leuren. Vrijwilligers die de neutraliteit dreigden te verstoren werden vervolgd. De kosten van de uiteindelijke hulp aan het belegerde Engeland zijn ook gewoon op rekening gezet en hebben bijgedragen tot het faillissement van dat land na de oorlog. En voor wiens voordeel de helft van Europa in de invloedssfeer van de VS is getrokken, leren we uit deelgeschiedenissen van de Koude Oorlog. Ik denk nu zelf meteen aan Griekenland en Cyprus.

Een transatlantische scheldpartij, dat moet ook eens kunnen.  Want de hegemonie van de VS heeft in de loop van de geschiedenis op vele plekken een grote tol geëist. En we weten allemaal dat de geheimzinnigheden de Koude Oorlog hebben overleefd. In de Veiligheidsraad is recentelijk nog gelogen omtrent het “bewijs” voor massavernietigingswapens in het arsenaal van de zoveelste boeman die eerder zelf door de VS was geïnstalleerd als buffer voor de as van het kwaad (avant la lettré). Dat was Saddam, een paar boeven geleden alweer. Ja, misschien was Fidel ook een boef, maar als het aan de VS hadden gelegen dan zou er niet eens een poging zijn ondernomen om iets te doen aan de schrijnende uitbuiting van de arme bevolking van Cuba door de kapitalistische ondernemingen en hun zetbazen. Daarmee stippen we een aardig trefwoord aan dat voor een groot deel van Zuid-America geldt. Daar leven overigens hele bevolkingen die óók “Amerikanen” zijn. Maar in lijn met de hegemonie van de VS is die naam gereserveerd geraakt voor de “Verenigde Stateners”. Alsof een Mexicaan of een Boliviaan geen recht meer hebben op de naam van hun eigen continent.

Overigens, lekker gemakkelijk, die vastbesloten weigering, vooraf verklaard en verzekerd, om ooit iemand uit te leveren voor rechtspraak buiten-de-eigen-jusrisdictie, zoals aan het Internationaal Hof van Strafrecht – nooit zal een Amerkaanse militair worden uitgeleverd voor berechting wegens vermeende oorlogsmisdaden. ”Als het niet Amerikaans is, is het niet goed en niet te vertrouwen”. Het maakt niet uit hoeveel Italiaanse rechtbanken de Amerikaanse staatsburger Knox al hebben veroordeeld, ze leveren haar niet uit. Maar de Nederlandse DJ moeten we wel ophoesten voor een zwaard van Damocles ter waarde van tientallen jaren voor, wat, een paar jointjes? Trouwens, alsof die juryrechtspraak bij hun thuis zo zuiver is. Alsof het zo rechtvaardig is om mensen na hun derde winkeldiefstal 30, 60, of voor mijn part 548 jaar cel op te leggen. En dat grenzeloze geloof in de eigen morele superioriteit! Alsof ze de democratie hebben uitgevonden en, ik heb er zojuist al over geklaagd, de gelijkheid van rechten. Bringing Democracy to the World. Hoe groot is de kans dat je met 250 miljoen inwoners steeds weer uitkomt op series van presidenten, senatoren, ministers en gouverneurs uit dezelfde families – Adams, Roosevelt, Kennedy, Bush, Clinton etc. Dat zegt toch wat over de democratische praktijk. Door onveranderlijke mechanismes van partijfinanciering, lobbying, massacommunicatie etc. komt de democratische wereld van de VS toch ook uit op iets dat vergelijkbaar is met die beschimpte “adel” van de Oude Wereld? Kijk, in Europa is ook van alles mis: maar bij ons klimmen de onbekende grijze muizen ongezien op vanuit de bureaucratieën en partijmachines van de lidstaten.

…. Stop, ik lijk wel een radicaal linkse rakker. Dat ben ik misschien niet hier in Nederland, althans niet overmatig, maar zo zou ik wel overkomen in de VS: daar is een algemene ziektekostenverzekering voor de talloze mensen immers al hoogst problematisch en veel te socialistisch.

Heb ik iets niet goed begrepen van de VS? De pot verwijt de ketel – bekijk een willekeurige uitzending van Amerikaanse “documentaires” waar Nederland in voorkomt en je moet concluderen dat ze weinig weten van die groezelige en achterlijke Oude Wereld die Europa heet. Amsterdam, ligt dat niet in Denemarken? Euthansie? We hebben onlangs, op meerdere gelegenheden, gezien op TV hoe prominente opiniemakers in de VS in de afgelopen jaren beschamende aantijgingen hebben gedaan als zou men in Nederland ongewenste baby’s en bejaarden zomaar vermoorden (denk bijvoorbeeld aan de republikeinse presidentskandidaat tijdens de voorverkiezingen van 2012, Rick Santorum).

Ik bedoel maar te zeggen, er scheelt nogal wat aan de supermogendheid die bevolkt wordt door al te veel onwetenden die steeds menen de oerbron te zijn voor alles wat goed en rechtvaardig is in de wereld. En natuurlijk is ook mijn razernij gericht op een karikatuur. Maar als die écht de plank mis zou slaan, die karikatuur, en als de opgeworpen misvattingen, vooroordelen, en zelfoverschattingen (gepaard met de geringschatting van anderen) nou echt marginaal zouden zijn, hoe kan het dan zijn dat die verschrikkelijke hypocrisie toch kracht van wet heeft in sommige staten van de VS? Één foute staat is al een smet op het blazoen van de Vereniging.

Maar dat is natuurlijk allemaal maar politiek. Wereldpolitiek. Smerige politiek. Aan de mensen van goede wil en morele ruggengraat ligt het niet. Die zijn er gelukkig overal. Ook in de VS. En daarom hoop ik er toch ook ooit eens te komen. (Als dat nog mag, nu dit stuk in de vaste collectie van de NSA terecht zal zijn gekomen, samen met die miljoenen andere uitingen van de vrije mening die Europeanen dagelijks publiceren op Facebook en elders.) Ik moet in ieder geval niet vergeten een regenboogvlaggetje aan mijn reiskoffer te hangen als ik naar Utah of Texas ga. Dat is de solidariteit van de Oude Wereld.

 

Naschrift d.d. 7 februari 2014: de werkelijke wereld wordt nog wonderlijker, nu blijkt dat een 16 jarige jongen uit California celstraf ontweken heeft (voor het doodrijden van vier mensen) op grond van de veronderstelling (of projectie) dat hij zou lijden aan de sociale ziekte “affluenza”, d.w.z. zijn gebrek om de gevolgen voor zijn acties te dragen omdat zijn rijke ouders hem altijd met geld buiten schot hebben weten te houden (De Volkskrant Online 07-02-2014). Kortom: vergeef hem want hij is onverantwoordelijk opgevoed. Zouden trouwe fans van het verderfelijke computerspelletje Grand Theft Auto misschien ook in aanmerking kunnen komen voor vrijspraak? Alleen in de VS. Althans, dat mogen we hopen.  Zelf zal ik, mocht ik in problemen komen met een strafrechter, pleiten voor mijn vrijspraak op grond van povertyphus. Maar die sociale ziekte heeft rechters in het verleden zelden tot genade bewogen. Sterker nog: de Engelse rechters hebben de armen die met de Wet in aanraking komen decennia lang gedeporteerd naar het einde van de wereld op het continent Australië. 

Dwaal ik af? Nee. Dat doen de rechters in California.

(PS. Voor de naam “Povertyphus” heb ik geen verwijzing; die  heb ik net zelf verzonnen.)

De laatste soldaat van de Japanse keizer: Hiroo Onoda (19 maart 1922 – 16 januari 2014)

 Boeken over verscholen Japanse militairen die lang niet hebben geweten dat de oorlog voorbij was (Foto Huib J. Lirb)

Boeken over verscholen Japanse militairen die lang niet hebben geweten dat de oorlog voorbij was (Foto Huib J. Lirb)

Op 16 januari 2014 is een Japanse veteraan overleden die onbedoeld wereldberoemd is geworden als een van de zogenaamde “achterblijvers” (“stragglers”) die in de onherbergzame gebieden van Oost-Azië vanaf 1945 lang verscholen zijn gebleven als guerillastrijders in de veronderstelling dat de oorlog nog niet was afgelopen.

Luitenant Hiroo Onoda heeft bijna dertig jaar verscholen geleefd in de jungle van Lubang, een eiland in de Philippijnen. Al die jaren is hij opgejaagd geweest door Amerikaanse en Philippijnse militairen, door politiemensen en woedende eilanders. Aanvankelijk voerde hij het bevel over een kleine groep achterblijvers van verschillende eenheden met de opdracht guerrilla-aanvallen uit te voeren tot er aansluiting kon worden gemaakt met verse troepen, in de wetenschap dat, althans voor een korte tijd, er op het eiland ook andere eenheden nog actief waren (Hiroo Onoda, No Surrender. My Thirty-Year War, Translated by Charles S. terry, Naval Institute Press, Annapolis Maryland 1974, 86-7). Al snel werd de groep gereduceerd tot vier man in 1946. Soldaat 1e Klasse Akatsu “deserteerde” in 1949 (Onoda 1974, 89), net als de naburige eenheid van 41 man onder leiding van korporaal Fujita kort voor hem (ibid., 79), naar de onbekende werkelijkheid van de rest van de wereld. In de loop der jaren heeft het resterende drietal talloze sabotageaanvallen uitgevoerd op bijvoorbeeld de gebouwen en rijstvoorraden van de lokale bevolking. “In order to clear the way for the Japanese landing party that we continued to expect, we adopted guerrilla tactics aimed at enlarging the territory under our control and keeping out all enemy trespassers” (ibid. 155). Het ging ze dus niet om het treiteren. “We thought of the fires as beacons signalling to friendly troops who might be in the vicinity of Lubang that the ‘Onoda Squadron’ was alive and carrying out its duties” (ibid.).

Hiroo Onoda in 1944 (Wikimedia commons)

Hiroo Onoda in 1944 (Wikimedia commons)

Door de eilanders om begrijpelijkerwijs gevreesd en gehaat, werden de “bergduivels” opgejaagd. In 1953 raakte Korporaal Shimada gewond in een vuurgevecht met een groep vissers (Onoda 1974, 101-2); het jaar daarop werd Shimada op slag gedood door een kogel van Philippijnse militairen die naar hen op zoek waren en die op dat moment door de Japanse “bergduivels” onder vuur waren genomen. Het resterende duo ging stug door met de guerillastrijd om te overleven tot in 1972 ook soldaat 1e klasse Kozuka werd gedood in een vuurgevecht, dit keer met de politie. Het verlies van Kozuka, de helft van de schamele Onoda-Eenheid, heeft de luitenant alleen maar dieper doen wegduiken van de verschillende gerichte zoekacties die vanuit Japan werden georganiseerd.

Er zijn wél veel pogingen ondernomen om de vervreemde mannen uit hun waanwereld te doen loskomen. In de loop van de 1950er en 1960er jaren is herhaaldelijk geprobeerd contact met de Japanse achterblijvers te bewerkstelligen, door op meerdere plaatsen actuele kranten te verspreiden, door ze met megafoons uit te nodigen tevoorschijn te komen, door pamfletten uit vliegtuigen te gooien (bijv. ibid., 79, 99, 109-128). Bij deze acties werden de achterblijvers, inmiddels geïdentificeerd, persoonlijk aangesproken en soms zelfs door hun eigen familieleden (ibid. 182). Toch weigerden de guerillastrijders zich te laten “misleiden” door deze “valse” berichten. Toen ze in 1950 door de megafoon de aansporingen hoorden van de “deserteur” Akatsu werden ze alleen maar gesterkt in hun overtuiging dat de Amerikanen achter alle toenaderingspogingen zaten (ibid. 92-93; Akatsu liet ook een brief achter met de mededeling dat hij door de Philippijnse militairen goed was ontvangen). De ene keer vonden ze het vreemd dat ze als infanteristen per megafoon werden toegesproken door een Japanse marineofficier (ibid. 114); een andere keer leek het Hiro dat er spelfouten zaten in de handtekeningen die een schoonzuster en een neef op een Japanse vlag hadden gezet die speciaal voor de achterblijvers in het gebied werd geplaatst met alweer een aansporing om tevoorschijn te komen (ibid. 109-110); zelfs een familiefoto met zijn ouders, zusters en hun kinderen kon hem niet overtuigen, omdat de etiquette van het bijschrift hem vreemd voorkwam (ibid. 111; voor ingewijden, er was sprake van “Onoda-san” in plaats van gewoon “Onoda”). “More and more leaflets that we regarded as fake were dropped on the island, and every time they fell, we thought that the Japanese attack was drawing closer. Evidently the Japanese forces in other places were advancing to the extent that they could start harassing the enemy in the Philippines” (ibid. 111). “Hiroo, come out”, klonk het opeens door de megafoon in 1959, “This is your brother Toshio. Kozuka’s brother Fukuji has come with me. This is your last day here. Please come out where we can see you” (ibid. 117). Daar trapte hij niet in. Kennelijk hadden ze een krijgsgevangene gevonden die op zijn broer leek en die opgedragen de stem van Toshio te imiteren van de een of andere geluidsopname. ‘Tuurlijk. Kon niet anders. Ze waren in de veronderstelling, die werd bereikt via vele dwalingen, dat alle persoonlijke berichten bedoeld waren om hun moreel op te vijzelen en concludeerden bijvoorbeeld uit het feit dat er goedkoop papier was gebruikt dat de berichten over alle troepen in de wijde regio moesten zijn verspreid. De versterkingen waren dus op komst! Dat moest wel. Uit de achtergelaten kranten bleek het immers goed te gaan met Japan. Het land was nog steeds sterk (ibid. 119). En in de verte hoorden ze al bommen afgaan. Ze wisten niet dat die vielen op een oefenterrein van de Philippijnse luchtmacht (ibid. 113).

Vanaf 1972 moest luitenant Onoda zijn eenzame strijd ook echt alleen voortzetten. Na de dood van zijn trouwe soldaat Kozuka, en juist toen ook na 28 jaar sergeant Yokoi door eerdere achterblijvers uit de jungle van Guam werd gehaald (zie hieronder), werden de inspanningen vanuit Japan om hem te bewegen uiteindelijk toch tevoorschijn te komen fors opgeschroefd. Bij het graf van zijn wapenbroeder werden brieven gelegd. Maar de stemmen van zijn broer Tadao en zijn zuster Chie konden hem nog steeds niet uit de jungle lokken. De truc met de stemvervalsing hadden ze in 1959 ook al uitgehaald, “wist” hij, toen de stem van de imitator van zijn jongere broertje Toshio weerklonk over de hellingen en hij in de verte een gestalte zag die inderdaad wel wat van hem weg had.

Bladzijde uit het boek van Onoda. Hij sliep gekleed op de hellingen met een verhoging onder zijn voeten om niet weg te glijden.

Bladzijde uit het boek van Onoda. Hij sliep gekleed op de hellingen met een verhoging onder zijn voeten om niet weg te glijden.

Niets of niemand kon luitenant Onoda dus van zijn militaire opdracht afhouden om zijn sector van het eiland veilig te stellen voor een toekomstige landing van Japanse troepen. Behalve natuurlijk een dienstbevel. Dat bleek toen in februari 1974 de jonge avonturier Norio Suzuki het waagde om de luitenant te provoceren tot ingrijpen door heel irritant opzichtig in zijn eentje te kamperen in de sector van Onoda. Suzuki dwong aldus een ontmoeting af waarin hij vroeg wat er voor nodig zou zijn om Onoda te overtuigen dat de strijd moest worden opgegeven. Een direct dienstbevel van de majoor Taniguchi was zijn antwoord (ibid. 196 e.v.). Inderdaad hebben ze kort daarna zijn oude commandant Taniguchi in 1974 naar Lubang laten overkomen. Naar zijn dienstbevel om zich over te geven heeft hij toen geluisterd (ibid. 213 e.v.). Met een schok kwam er een eind aan zijn denkbeeldige wereld waarin het keizerlijk Japan nog steeds aan het vechten was voor “Het Grotere Oost-Aziatische Domein van Gezamelijke Voorspoed” (“Greater East Asia Co-Prosperity Sphere”), zeg maar, het “Grotere Japanse Gemenebest” (ibid., 123-6).

“It stayed with me”, deze denkbeeldige werkelijkheid, “until the day Major Taniguchi gave me my final orders. In the days when I was completely alone, it seemed even more real than before [dus vóór het verlies van zijn wapenbroeder]. That is why I was psychologically unable to respond even when I saw members of my family and heard them calling to me. Not until I returned to Japan and looked out the window of my hotel at the streets of Tokyo did I understand that my world was no more than a figment of my imagination” (ibid. 126) De nieuwe werkelijkheid kwam hard binnen. “When finally I did see those thousands of cars in Tokyo, moving along the streets and the elevated expressways without a sign of war anywhere, I cursed myself. For thirty years on Lubang I had polished my rifle every day. For what? For thirty years I had thought I was doing something for my country, but now it looked as though I had just caused a lot of people a lot of trouble” (ibid. 126).

Het is te gemakkelijk om achterblijvers als luitenant Hiroo Onoda en zijn manschappen te ridiculiseren (zie bijvoorbeeld de toon van een krantenbericht over “their pathetic story” in The Milwaukee Journal, 30-09-1967) om hun waanbeelden die door een aaneenschakeling van min of meer toevallige gebeurtenissen in volstrekt isolement konden worden gevormd. Ze voelden zich belast met een doorlopende opdracht die ze niet mochten verzaken, alle pogingen tot bestrijding en misleiding door de vijand ten spijt, en ze meenden steeds weer aanwijzingen te krijgen dat hun waanideeën werkelijkheid waren. Soortgelijke moeilijkheden om in verholenheid aan de eigen voorstellingen te ontstijgen herinner ik me te hebben gelezen in de verhalen van andere Japanse achterblijvers. De achterblijvers Masashi Ito en Bunzo Minakawa hebben 15 jaar geleefd als verborgen bosdieren op Guam tot ze in 1960 eindelijk hun eigen stenen gedenkschriften konden lezen in Japan (Ito Masashi, The Emperor’s Last Soldiers, 1967; Panther Books London 1968, 159). Uiteraard wekte die omstandigheid wereldwijd grote verwondering: “Lionized as national heroes, the emperor’s last soldiers were to gaze in awe at their own tombstones and find it hard to sleep in nights without danger” (The Milwaukee Journal, 30-09-1967).

Japanse achterblijvers Ito en Minakawa vlak na hun overgave / redding

Japanse achterblijvers Ito en Minakawa vlak na hun overgave / redding (foto genomen uit het boek waarnaar wordt verwezen in de tekst).

Maar Ito en Minakawa waren niet de laatste soldaten van de keizer. Zij stonden in 1972 sergeant Shoichi Yokoi bij, die 28 jaar in een zelfgegraven gat in de grond had gewacht op de komst van een grote troepenmacht uit Japan, aanvankelijk met negen anderen, lange tijd met zijn drieën en de laatste acht jaar helemaal alleen (Asahi Shimbun correspondents group, 28 Years in the Guam Jungle. Sergeant Yokoi Home from World War II, Japan Publications, Tokyo & San Francisco 1972, 5-6). Na hun eigen bevrijding uit de verlengde oorlog hebben Ito en Minagawa actief geholpen om andere achterblijvers als Yokoi uit de jungle te krijgen. Zij kenden Yokoi persoonlijk uit 1944 (ibid. 41-2). Op de vraag, tijdens een persconferentie vlak na zijn redding, waarom Yokoi niet tevoorschijn kwam toen ze hem in het Japans door de luidsprekers daartoe opriepen, antwoordde hij: “I didn’t come out because I was afraid….When I was a kid, in Japan, I was trained. The spirit of Japan is to die the way the cherry blosoms go: without shame. I was afraid I wouldn’t go that way” (ibid. 44). In 1972 kon ook Yokoi zijn eigen cenotaaf lezen in zijn geboorteplaats (ibid. 47).

 

Sergeant Yokoi vlak na zijn ontdekking en redding uit de jungle van Guam

Sergeant Yokoi vlak na zijn ontdekking en redding uit de jungle van Guam (foto genomen van het boek waarnaar verwezen wordt in de tekst).

Men was in 1951 zeer verbaasd dat er nog steeds zo nu en dan achterblijvers uit de jungle tevoorschijn kwamen, schoorvoetend want bang voor marteling en executie door de Amerikanen, zoals hen door hun eigen legerleiding was voorgespiegeld. Maar er waren voor achterblijvers ook andere redenen dan doodsangst om op hun post te blijven. Voor Yokoi lijkt het de schaamte te zijn geweest om überhaupt de militaire nederlaag te hebben overleefd. In zijn geval heeft het misschien verschil uitgemaakt dat het zijn vroegere meerdere was, Ito, die hem 28 jaar later heeft weten te over te halen uit zijn schuilplaats te komen na eerst zelf die “schande” te hebben getrotseerd. Ook luitenant Onoda heeft zijn sector verdedigd tot nader order van zijn eigen majoor 30 jaar later. Als de trouwe hond van Odysseus heeft hij gewacht op de terugkeer van zijn baas. Is dat een overdreven romantische vergelijking? Volgens mij niet. Deze verhalen gaan misschien om de schaamte en angst, maar net zoveel om trouw en militaire eer: de militair blijft op zijn post tot nader order. Zoals de vertaler van het manuscript van Onoda, Charles S. Terry, het in 1974 schreef in het voorwoord: “At the end of his book, Onoda asks himself what he had been fighting for all these years. My opinion is that it was for integrity. Whether Onoda continues to be regarded as a hero is for the future to decide, but I suspect he will, because in the end he won his war” (Onoda 1974, 10).

Persoonlijke noot. Dit stukje heb ik geschreven naar aanleiding van het bericht dat Hiroo Onoda gisteren, 16 januari 2014, op 91-jarige leeftijd is overleden. Zijn naoorlogse wereld heeft toch nog 40 jaar geduurd. De drie boeken heb ik enige jaren geleden antiquarisch gekocht naar aanleiding van de berichten dat er zo laat als in 2005 nog twee Japanse achterblijvers zouden zijn gevonden op Mindanao; deze mensen, Yoshio Yamakawa, 87 jaar, en Tsuzuki Nakauchi, 85 jaar,  lijken echter altijd op de hoogte te zijn geweest van de geopolitieke werkelijkheden maar ervoor te hebben gekozen op de Filippijnen te blijven (zie  BBC News online 27-05-2005). Het is best wonderlijk, en bepaald ongemakkelijk moet ik toegeven, om de geschiedenis even te bekijken vanuit het perspectief van de Japanse militairen. Op zich zit er in de verhalen van deze achterblijvers nog niet zulke schokkende aspecten; dat was anders toen we  we vorig jaar op televisie een Japanse veteraan hoorden vertellen over zijn deelname aan de massa-executies in Nanking – de man was nog steeds trots op de wijze waarop ze de ongelukkigen wisten wijs te maken dat alles goed zou komen en, mogelijke culturele verschillen in gelaatsuitdrukkingen in acht nemende, ik zweer dat ik de man erbij zag lachen van zelfgenoegzaamheid. Iedere oorlog kent zijn misdadigers en meestal in bulk.

Wat ik wél bijzonder onprettig vond om te lezen vandaag is een passage uit het boek dat een naamloos gebleven collectief van correspondenten van de Asahi Shimbun over de ontdekking en thuiskomst van sergeant Yokoi had geschreven. Zojuist aangekomen in Guam op zoek naar het verhaal van Yokoi, maakte de Japanse correspondent een praatje met een lokale winkelier en vroeg hem of hij veel Japanse toeristen kreeg. Na het bevestigende antwoord vroeg hij hem naar zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting. Die bleken slecht. Hij was als kind herhaaldelijk mishandeld door de Japanners en zijn zuster werd door hen vermoord. “I’m very sorry such a thing happened”, antwoordde de correspondent naar eigen zeggen, waarop de vrouw van de winkelier zou hebben toegevoegd dat zulke dingen nu eenmaal altijd gebeuren in een oorlog. “I was at a loss for something to say, but the man went on, ‘Not all Japanese are bad. Right?’ He nodded as if to convince me.” De aansluitende beschouwing is opmerkelijk: “The people who found sergeant Yokoi had lost some of their relatives at the hands of Japanese soldiers. We Japanese talk much about our peculiar position as victims of the atomic  bomb, and we decry war as massacre. But how great is the difference  [>] between the words of  these island people, who had been victims of war too, and the anger of the those [sic.] who suffered in the atomic attacks! How great is the damage we did in the  South Pacific and in China!  The words of the owner of this store and his wife , both of whom are younger than Yokoi, depressed me” (Asahi Shimbun correspondents group, 28 Years in the Guam Jungle. Sergeant Yokoi Home from World War II, Japan Publications, Tokyo & San Francisco 1972, 21-22). Tja, de atoombommen schijnen dus in twee grote klappen aanvankelijk de schuld van de ene generatie te hebben weggevaagd dat dan 28 jaar later door een volgende generatie op een eilandje als bij verrassing opnieuw moet worden ontdekt. Het is een opmerkelijke verschuiving in de perceptie van goede en kwade krachten in de wereldgeschiedenis. Genoeg erover.

De holwoning van Yokoi was bedekt met bamboe (Foto genomen van het boek)

De holwoning van Yokoi was bedekt met bamboe (Foto genomen van het boek waarnaar wordt verwezen in de tekst.)

 

 

 

Geschiedenis diep in de ogen kijken

Het eerste fotografische portret dat ooit van een persoon is gemaakt, is het zelfportret op daguerrotype vanRobert Cornelius uit 1839. Origineel in Library of Congress. Beeld is in publiek domein.

Het eerste fotografische portret dat ooit van een persoon is gemaakt, is het zelfportret op daguerrotype van Robert Cornelius uit 1839. Origineel in Library of Congress. Beeld is in publiek domein.

Ik werd op het bestaan van dit beeld geattendeerd door een online publicatie van het Beeldblog Brekend. “Deze foto uit 1839 wordt algemeen beschouwd als de eerste selfie die ooit is genomen. Ver voordat het begrip bestond. Ver voordat duckfaces bestonden. De Amerikaanse scheikundige en fotografiepioneer Robert Hinnieser Cornelius (1809-1893), zoon van een Nederlandse immigrant, nam hem. Hij heeft er een tikkeltje langer voor moeten poseren dan tegenwoordig nodig is met je mobiel: een hele minuut.” (Brekend.nl, 26 november 2013)

Fascinerend. Je ziet hier een gewone jongeman, die je zo maar zou kennen uit de kroeg, maar hij heeft zichzelf 174 jaar geleden vereeuwigd zonder opsmuk, in een tijd die we beter kennen van de heroïsche schilderijen met zoveel pathos en gedragen symboliek. Deze foto is genomen toen mensen nog in leven waren die met Napoleon op veldtocht waren geweest; nog zoveel als 21 jaar vóór Giuseppe Garibaldi in een brutale bliksemaanval heel Zuid-Italië zou veroveren om het aan de koning van Piemonte te geven; toen in Engeland Isambard Kingdom Brunel de monumentale spoorwegen naar The West Country net aan het bouwen was; een jaar nadat de bedrogen Cherokee gedwongen werden om, ondanks al hun systematische pogingen om met hun tijd mee te gaan in Georgia, op hun laatste tranen de wildernis van Oklahoma in te lopen (The Trail of Tears); en ongeveer in dezelfde tijd waarin, op een ander continent en om een beduidend minder meelijwekkende reden, de Nederlandstalige boeren van Zuid-Afrika diep landinwaarts trokken, met al hun hebben en houden, om zich te onttrekken aan het Britse gezag (de Grote Trek); juist in het jaar waarop de koppige koning van het jonge Koninkrijk der Nederlanden eindelijk moest erkennen dat hij België had verloren. Met deze foto kijk je de geschiedenis diep in de ogen.

Culturele Genocide II. (…)

Gisteren werd er een massale demonstratie gehouden op het Malieveld voor het behoud van Zwarte Piet als, zullen we zeggen, kennelijk onveranderbaar geacht immaterieel erfgoed: de Pietitie-demonstratie (zie ook mijn blogstuk van een paar dagen geleden, “Met Zwarte Piet in een diepe crisis”, waarin ik juist pleit voor aanpassing). Dankzij de fotograaf Gerrit de Heus weten we nu dat er tijdens die demonstratie een mevrouw is mishandeld (zoals de foto van Gerrit de Heus toont: zie de link toegevoegd aan de volgende zin), geïntimideerd en bedreigd die toevallig op die dag óók aan het demonstreren was en wel tegen de annexatie van West-Papoea door Indonesië in 1962, tegen de moord op, zo is de bewering, 400.000 Papoea’s sindsdien, en tegen de onverschilligheid, de onwil en in ieder geval het onvermogen van de Verenigde Naties om op te treden tegen de “slow motion” genocide die daar nu nog steeds plaatsvindt. (Het verslag van de Heus over de mishandeling van deze demonstrante geeft een goed beeld van de werking van de voor-veroordeling, het gebrek aan kritisch denkvermogen en het onvermogen tot solidariteit en begrip in de bekrompen geest van “de kleinzielige mens” zoals, inderdaad, óók de racist die juist door de VN een roetveeg uit de pan heeft gekregen met de Zwarte Piet-kwestie.)

Ik heb de afgelopen jaren al het een en ander gelezen over de problematische geschiedenis van de dekolonisatie van Nederlands Indië en de wordingsgeschiedenis van het moderne Indonesië (H.W. van den Doel, Afscheid van Indië. De val van het Nederlands imperium in Azië, Prometheus, Amsterdam 2001; Doeko Bosscher en Berteke Waaldijk, Ambon. Eer & schuld. Politiek en pressie rond de Republiek Zuid-Molukken, van Holkema & Warensdorf Weesp 1985). Vooral relevant voor de huidige context was het (soms zeer aangrijpende) boek van Andreas Schelfhout (De zomer van 1962. De laatste gevechten om Nederlands Nieuw-Guinea, in het oerwoud en aan de conferentietafel, uitgeverij U2pi Voorburg 2010). Het onvermogen van de Nederlanders om West-Papoea te beschermen tegen het Indonesische imperialisme is betreurenswaardig; de onwil, bijna, van de Verenigde Naties om naar het pleit van de zelfbeschikking van dit volk te luisteren is ronduit verwijtbaar. Vandaag heb ik dan ook de petitie ondertekend waar Gerrit de Heus naar heeft verwezen in zijn weblog, “Stop de ‘slow motion’ genocide in West-Papoea – zet onrecht recht”, en van welk bestaan ik zonder het toeval van gisteren niet zou hebben geweten.

Ik ben van plan me meer in deze zaak te gaan verdiepen; en in de nabije toekomst hoop ik mijn bevindingen op mijn weblog te kunnen delen. Ik denk, op grond van mijn eerder opgedane kennis, en dus nadrukkelijk niet een vooroordeel, dat de titel van dat stukje wel eens zou kunnen worden: “Culturele Genocide II. Indonesificatie”. Want de parallel met het lot van de Tibetanen en de Oeigoeren, waarover ik gisteren heb geschreven in mijn blogstukje “Culturele Genocide I. Sinificatie” lijkt zich aan te dienen. Vanwege het voorlopige karakter van deze intentieverklaring staan er nu nog puntjes tussen de haakjes. Zo blijf ik toch nog politiek correct!

Culturele Genocide I. Sinificatie

Vooropmerking. De aanleiding van mijn stuk is een bericht dat de Chinese autoriteiten vanaf 2009 druk bezig zijn om het cultureel erfgoed van de Oeigoeren te slopen (Ishaan Tharoor, “Tearing Down Old Kashgar: Another Blow to the Uighurs”, in: Time Wold, online editie 29 juli 2009). Het bericht is enige jaren oud, maar het sloopproces, dat gepaard gaat met een overweldigende “sinificatie” (“ver-chinesing”) door rigoreuze modernisering, gaat nog steeds gestaag door (zie Martin Patience, “Will development bring stability to restive Xinjiang city of Kashgar?”, BBC News China online, 15 augustus 2012). Ik verbind deze actuele ramp met de geschiedenis van de Culturele Revolutie en met het lot van “dat andere verloren volk”, de Tibetanen.

Voor velen van ons behoort Tibet niet tot China. Tibet was aantoonbaar vanaf zeker de 7e eeuw NC een onafhankelijk land met een eigen taal, een eigen cultuur, geschiedenis, identiteit, politieke organisatie en daarmee, om de taal van de Volkenbond en Verenigde Naties te spreken, het souvereine land van een volk met zelfbeschikking. Tibet is in 1950 bruut geannexeerd door de Volksrepubliek China. We weten allemaal dat de (nakomelingen van de) veroveraars nog steeds in de veronderstelling verkeren dat deze annexatie rechtmatig was, want Tibet wordt gewoon beschouwd als een integraal onderdeel van China (na in ieder geval de mislukte opstand van 1959). Met de voltooing van de hoogste spoorweg ter wereld in 2006 werd het Chinese spoor met Llasa verbonden; en met dit, naar Chinees zeggen, “achtste wereldwonder” is het hart van het oude Tibet ontsloten voor Chinese immigranten en invloeden (NOS artikel online d.d.1 juli 2006 en 17 augustus 2006,”Spoorlijn Tibet. Omstreden wereldwonder”).

De Tibetanen zijn nooit opgehouden om te protesteren tegen de brutale schending van hun souvereiniteit en de aanhoudende overheersing. Hun stem van protest is niet het zwijgen opgelegd, niet door de Grote Sprong Voorwaarts in de jaren na 1958, waarin alleen al onder de Tibetanen zeker 200.000 en misschien zelfs 1 miljoen slachtoffers vielen (hierboven wees ik al op de mislukte opstand van 1959) en ook niet door de Culturele Revolutie die er op volgde (zie hieronder). Tibetanen en hun bijval hebben van zich laten horen tijdens de gedenkwaardige demonstraties op het Tienanmenplein in 1989, en recentelijker tijdens de onlusten van 2008. Volgens de Tibetaanse regering in ballingschap hebben tussen februari 2009 en februari 2013 maar liefst 100 Tibetanen zichzelf in brand gestoken, met in 83 gevallen de dood tot gevolg (Volkskrant online 13 februari 2013). En dan nog is het moeilijk voor mensen in de rest van de wereld om de kille waarheid van dit onrecht, van deze grove schending van mensenrechten en volkenrecht, onder ogen te blijven zien. Want, hé, in Rotterdam loopt net weer een containerschip binnen met goedkope rommel uit China!

Het is al moeilijk om het onrecht van Tibet op het menu te houden. Maar het is nog moeilijker om in herinnering te houden dat dit lot van de Tibetanen ook andere volkeren heeft getroffen. En nog steeds treft. Daar kom ik dadelijk op terug want de actuele ontwikkeling rond het cultureel erfgoed van de Oeigoeren is de directe aanleiding tot dit stuk-van-verontwaardiging.

Met de Culturele Revolutie hebben Mao en de zijnen na de moeilijkheden van De Grote Sprong Voorwaarts de eigen macht binnen China geconsolideerd, met harde hand, en is het Maoïsme (bekend van het “Rode Boekje”) overal in de plaats gesteld van lokale en regionale culturele waarden. De Culturele Revolutie was deels gericht geweest op de uitwissing van alle verschillende culturele identiteiten binnen het gedomineerde gebied van de Volksrepubliek China. Deze culturele genocide voltrok zich tussen 1966 en 1976 (officieel tot 1968 maar met doorwerking in de verlenging) en heeft in Tibet geleid tot ongelooflijk veel ellende, waaronder de vernietiging van ongeveer 6000 kloosters. Het is mij niet duidelijk of er nu wel of niet serieus officieel excuses zijn gemaakt voor deze criminele politiek, maar het doet er weinig toe. Want in sommige opzichten lijkt de politiek nog steeds op sommige plaatsen te worden gevoerd. Natuurlijk, ter gelegenheid van de Olympische Spelen werd de officiele waardering voor culturele diversiteit van het moderne China openlijk beleden; maar intussen wordt het oud zeer in Tibet niet genezen met, om te beginnen, het herstel van de eigen onafhankelijkheid. Ik heb begrepen dat de eigen identiteit van de Tibetanen tegenwoordig alleen nog maar sterker onder druk is komen te staan. Nee, voor de Tibetanen is de Culturele Revolutie dus misschien nog gewoon gaande.

Dat lijkt ook te gelden voor een volk dat evenzo van zijn souvereiniteit en zelfbeschikking is beroofd door de Volksrepubliek China. Het land van de Oeigoeren is één jaar voor Tibet door het volksleger van Mao bij China ingelijfd. De Oeigoeren hebben sindsdien een moeilijke geschiedenis beleefd die nagenoeg parallel loopt aan die van de Tibetanen, met dezelfde ingrediënten van onderdrukking, culturele genocide en protest.

De laatste jaren zijn de Chinese autoriteiten bezig het historische centrum van Kashgar te slopen onder het het voorwendsel dat de gebouwen niet langer meer veilig zouden zijn voor bewoning en dat de bewoners enorm zouden kunnen profiteren van modernisering in het algemeen – met andere woorden, de inwoners moeten worden meegenomen in de vaart der (Chinese) volkeren (zie de verwijzingen naar de sloop en de sinificatie in de vooropmerking). Kashgar is in zekere zin de bakermat van de Turken, een pleisterplaats en handelsstad aan de Zijderoute waar in 1071 voor het eerst een compendium is gemaakt van de Turkse taal die ontstaan is als mengelmoes van talen die gesproken werden door nomaden verspreid over de steppen tussen de Kaspische Zee en Siberië. De Turken hebben officieel geprotesteerd tegen de verwoesting van de oude stad, inclusief de bijzondere islamitische gebouwen in dit “Jeruzalem van de Oeigoeren”. Het maakt deel uit van een proces dat de Turkse premier Erdogan terecht heeft vergeleken met “een soort genocide”, dat zich nu voltrekt door intimidatie en vervolging, door bewuste overspoeling van de bestaande bevolking door nieuwkomers in een georchestreerde toevloed van Han Chinese immigranten, en dus door het slopen van het culturele erfgoed van de Oeigoeren. Er is op de Nederlandse televisie sporadisch al eerder aandacht aan de Oeigoeren geschonken, herinner ik me, en dat zie ik bevestigd in de treffers op hun volksnaam in de archieven van Beeld en Geluid. Dus hoewel hun beknelde lot niet wordt genegeerd is het, net als dat van de Tibetanen, ook te lastig om op de kaart te houden.

Schermopname van een deel van de interactieve kaart van UNESCO werelderfgoederen die verband houden met de Zijderoute. Het historisch centrum van dit prominente knooppunt, waar de zijdeindustrie bovendien nog floreert, is overgeslagen in de aanvraag en de erkenning. Op een historische kaart van de zijderoute toont een door UNESCO gesponsorde website Kasghar als knooppunt in de zijde route; en in de begeleidende tekst (van Paul Strathern, "What is the Silk Route") lezen we ook dat op dit knooppunt halverwege alle grote routes samenkwamen; en ook op de beschrijving van het werelderfgoed gerelateerd aan de zijderoute voor zover gelegen in China wordt prominent Kashgar genoemd (: "the Chinese portion of the Silk Roads which ran for 4,000 kilometers began in Chang'an (Modern city of Xi'an) and was divided into at least two separate routes for avoiding the deadly Taklamakan Desert. They passed then through Kashgar and on to the Central Asia. During more than 2,000 years of trade along the Silk Roads, several cities with commercial, cultural and religious centers were built alongside these routes while local and ethnic cultures flourished and enriched along them."); maar op de interactieve kaart van UNESCO werelderfgoederen in China zien we dus helaas niks bij Kashgar terwijl het historisch centrum tijdens de aanvraag nog bestond en dus gewoon behouden had kunnen blijven.

Schermopname van een deel van de interactieve kaart van UNESCO werelderfgoederen die verband houden met de Zijderoute. Het historisch centrum van dit prominente knooppunt, waar de zijdeindustrie bovendien nog floreert, is overgeslagen in de aanvraag en de erkenning. Op een historische kaart van de zijderoute toont een door UNESCO gesponsorde website Kasghar als knooppunt in de zijde route; en in de begeleidende tekst (van Paul Strathern, “What is the Silk Route”) lezen we ook dat op dit knooppunt halverwege alle grote routes samenkwamen; en ook op de beschrijving van het werelderfgoed gerelateerd aan de zijderoute voor zover gelegen in China wordt prominent Kashgar genoemd (: “the Chinese portion of the Silk Roads which ran for 4,000 kilometers began in Chang’an (Modern city of Xi’an) and was divided into at least two separate routes for avoiding the deadly Taklamakan Desert. They passed then through Kashgar and on to the Central Asia. During more than 2,000 years of trade along the Silk Roads, several cities with commercial, cultural and religious centers were built alongside these routes while local and ethnic cultures flourished and enriched along them.”); maar op de interactieve kaart van UNESCO werelderfgoederen in China zien we dus helaas niks bij Kashgar terwijl het historisch centrum tijdens de aanvraag nog bestond en dus gewoon behouden had kunnen blijven.

Zouden de Verenigde Naties zich er niet meer mee moeten bemoeien? UNESCO is al buiten de deur gehouden. Het historisch centrum van Kashgar is opmerkelijk genoeg niet opgenomen op de kandidatuurlijst van Zijderoute sites die Beijing in 2009 heeft ingediend bij de UNESCO voor de Werelderfgoed status (Ishaan Tharoor, verwijzing hierboven).Het zelfbeschikkingsrecht van ook dit volk is dus geschonden en nu wordt, met de vernietiging van hun materieel erfgoed, ook de mogelijkheid om de eigen culturele identiteit te blijven beleven verder acuut bedreigd. Dit komt mij over als een proces dat vergelijkbaar is met de Culturele Revolutie. Daar moeten we tegen opstaan. Via de Verenigde Naties. Dus vergeet Zwarte Piet en ga aan het werk!

Met Zwarte Piet in een diepe crisis

Sint Nicolaas voor de deur van zijn eigen basiliek in Bari. Foto 2012 Huib J. Lirb

Sint Nicolaas voor de deur van zijn eigen basiliek in Bari. Foto 2012 Huib J. Lirb

In onze postmoderne cultuur is geschiedenis inmiddels wel een heel gemakkelijk vak geworden. Dat zien we maar weer in de bijdrage aan het verhitte “debat” over Zwarte Piet van Louise Müller, afrikanist en Fellow van de African Studies Centre community te Leiden  in de Volkskrant (online 22 october 2013).

“Sint Nicolaas, de opvolger van Wodan, was de aartsbisschop van het Griekse Myra, dat gelegen was bij het tegenwoordige Demre in Turkije. Hij overleed op 6 december 343. De goedheiligman werd bekend als de beschermheilige van kinderen en handelaren, wiens belangen hij vertegenwoordigde. De Zwarte Piet van Sint Nicolaas was wel degelijk een Afrikaan, die door Europeanen werd aangeduid met de term ‘Moor’. Hij was echter vermoedelijk geen knecht maar een islamitisch handelaar, die de goedheiligman hielp bij onder andere het verspreiden van voedingswaren onder arme kinderen.”

Müller stelt vervolgens: “Zwarte Piet was dus zeer waarschijnlijk een gelijkwaardige partner van Sinterklaas.”

Waar haalt ze het vandaan? De verwijzing naar Wodan is zeer verdedigbaarbaar (en weer een heel ander verhaal) maar de plotselinge introductie van een islamtische handelaar lijkt zo sterk uit de lucht gegrepen dat een verwijzing naar zoiets als een historische bron toch wel wenselijk is.

Zoals enkele respondenten al opmerkten in de commentaren op het artikel zou er pas meer dan vier eeuwen na de dood van de bisschop (in waarschijnlijk 343) sprake zijn van de Islam; die is pas ontstaan of “geopenbaard” in de 7e eeuw en zou zich verspreiden tot in ieder geval ook Klein-Azië in de loop van de 8e en 9e eeuw. Foutje. Op dit anachronisme kom ik dadelijk terug.

Het hele welles-nietes “debat” drijft sowieso op historische onzinnigheden. Neem de algemeen veronderstelde “Turkse connectie”. Die wordt niet alleen bij ons maar ook tot in de Verenigde Staten maar steeds weer herhaald.

“The popular explanation Nicholas’s becoming Santa briefly goes like this: Saint Nicholas was a fourth-century Turk who became a bishop. As his popularity spread, the Dutch adopted this Turk as their patron saint. When the Dutch came to America, they brought their beloved saint, and once in America, Saint Nicholas somehow ‘turned into’ Santa Claus. Despite a century of repetition, this story is simply untrue” (Phyllis Siefker, Santa Claus, Last of the Wild Men. The Origins and Evolution of Saint Nicholas, Spanning 50,000 years, Jefferson NC & London 1997, 7).

We zeggen het nog maar eens: Sinterklaas was geen Turk. De Turken (Seljuks) zouden Klein-Azië, te beginnen met Anatolië, pas veroveren in de loop van de 11e eeuw. Tegen die tijd was de GRIEKSE bisschop Nicolaos al zo’n zeven eeuwen dood en werden zijn beenderen toevallig genoeg zelfs afgevoerd naar Italië (zie onder). Hij zal zelf hebben geweten dat hij leefde in een multiculturele Grieks-Romeinse stad in Lycië in het Zuidwesten van Klein-Azië, binnen de grenzen van het Romeinse Rijk onder keizer Constantijn de Grote nog vóór de scheiding van de rijksdelen, dus nog voor de conceptie van wat wij nu noemen het Byzantijnse Rijk. Daar is hoe dan ook geen woord Turks bij. De bevolking van Myra was vanaf de eerste eeuw voor Christus waarschijnlijk overwegend Griekstalig; de stad werd, net als het naburige Patara, een belangrijk logistiek centrum voor de Romeinse graantoevoer onder keizer Hadrianus vlak voor het midden van de tweede eeuw na Christus. Alle toespelingen in het Sinterklaas-en-Zwarte-Piet “debat” op modern Turkije hebben dan ook helemaal niets te maken met de Byzantijnse wereld die bruut werd afgebroken door Turken onder de Ottomaanse dynastie in een geweldadig crescendo dat tot climax kwam met de val van Constantinopel in 1453. Inmiddels waren de beenderen van de heilige Sint Nicolaas reeds door zeevarende handelaren uit Italië clandestien opgegraven en meegenomen naar hun thuishaven Bari in Zuid-Italië. Dat was in 1087 dus toen er ver weg vanuit het oosten de eerste Turken het binnenland van Anatolië binnenkwamen. Met andere woorden: Sint Nicolaas was reeds afgevoerd nog voor de eerste Turk in Myra was gearriveerd. En zo moet dus ook het Turkse element soweiso rigoreus worden AFGEVOERD uit het geleuter over de goedheiligman.

Het verhaal heeft meer te maken met Zuid-Italië. Daar heb ik al op gewezen en ik kom er zeker (een andere keer) op terug.

Collage van screenshots van eigen videomateriaal gedraaid in 2012 in de San Nicola te Bari

Collage van screenshots van eigen videomateriaal gedraaid in 2012 in de San Nicola te Bari

We hebben vastgesteld – dat mag je toch wel zeggen – dat Sint Nicolaas nooit kan hebben samengewerkt met een islamitische handelaar die zich later zou ontwikkelen tot onze “Zwarte Piet”. Het anachronisme is zo sterk, zo stom zelfs, dat ik vermoed dat Louise Müller zal hebben bedoeld dat deze islamitische handelaar als seculier personage pas veel later na de dood van de historische persoon is gaan interacteren met het heilige personage in de volksverhalen. Maar komt die dan voor in de eerste levensbeschrijvingen van de goedheiligman (de oudste hagiografie van Sint Nicolaas dateert uit omstreeks 700)? Ik weet het niet maar je mag verwachten dat Müller daar dan wel bronnen voor zou hebben – een verwijzing zou echt verschil uitmaken.

Hoe dan ook, de beenderen van de Grieks-Byzantijnse heilige werden al in de 11e eeuw naar Bari overgebracht en de cultus van Sint Nicolaas heeft zich sindsdien verspreid over geheel Europa (en later ook America) met enorm veel vertakkingen en verklevingen met bestaande tradities en nieuwe vondsten. Ik heb een oude foto op een knipsel uit 1922 van een Sinterklaas met een zwarte duivel die ketenen draagt, een motief dat uit centraal Europa komt. Die duivel was in Nederland toen al vervangen door de kindvriendelijke Piet, al droeg die ook nog een roe en een zak.

Katholieke Illustratie van 4 december 1920. Het personage "Krampus" draagt ketenen. (Knipsel uit eigen collectie)

Katholieke Illustratie van 4 december 1920. Het personage “Krampus” draagt ketenen. (Knipsel uit eigen collectie)

De Sinterklaas van de Nederlanders in Manhattan, zelf een guitig gedrongen blank mannetje, ging aan het eind van de 18e eeuw zelf nog door de schoorsteen en vulde de sok van de kinderen aan de schoorsteenmantel met kadootjes.

Robert Walker Weir, "Santa Claus, or St. Nicholas", West Point 1837. Schilderij zou een traditionele Nederlandse "Santa Claus" uit Manhattan tonen in een scene compleet met onder andere Delfstblauwe tegels, het stadswapen van Nieuw-Amsterdam en het half aangevroten appeltje van oranje. (Eigen foto gemaakt van de omslag van James Kirk Paulding, Stories of Saint Nicholas, Syracuse University Press, 1995)

Robert Walker Weir, “Santa Claus, or St. Nicholas”, West Point 1837. Schilderij zou een traditionele Nederlandse “Santa Claus” uit Manhattan tonen in een scene compleet met onder andere Delfstblauwe tegels, het stadswapen van Nieuw-Amsterdam (met molenwieken) en het half aangevroten appeltje van oranje. (Eigen foto gemaakt van de omslag van James Kirk Paulding, Stories of Saint Nicholas, Syracuse University Press, 1995)

 

In een latere prent uit de buurt van Nederland zien we Sinterklaas hof houden gezeteld in de haardplaats onder de schoorscheenmantel. Die schoorsteen is natuurlijk het punt geweest: je kan niet schoon door de schoorsteen komen. Vandaar de schakeling van Piet aan de schoorsteenvegers die in Amsterdam in de helft van de negentiende eeuw bijna allemaal uit het (thans) Italiaans-Zwisterse Ticino kwamen. Die schakeling was er al met Bari, de vooralsnog laatste rustplaats van Sint Nicolaas en de dominante plek vanwaar de cultus zich over Europa heeft verspreid; en omdat Bari eeuwenlang onder Spaans gezag heeft gestaan leek Sinterklaas opeens uit Spanje te komen.

P1130953 Sint in haardplaats 1883 1200pix

 

Over al deze zaken hoop ik later nog wat leuks te schrijven. Maar nu is het tumult rond Zwarte Piet te luid om nog iets zinvols en subtiels te zeggen. Ik lees net dat professor Verene Shepherd, mensenrechtenonderzoeker bij de Verenigde Naties en hoofd van de VN-werkgroep die onderzoek doet naar Zwarte Piet, vindt dat Nederland moet stoppen met het Sinterklaasfeest omdat Zwarte Piet “racistisch is” en kennelijk “een terugkeer van de slavernij” impliceert (online 22 october 2013). Ze oordeelt hard en snel, voor haar beurt ook, en zonder ook te onderzoeken, maar het geeft aan hoe problematisch onze gekoesterde traditie overkomt op buitenstaanders.

We hebben er zelf om gevraagd.

De Sint neemt zijn duiveltje mee met de gard voor de stoute kindertjes. De Prins 2 december 1922 (eigen collectie)

De Sint neemt zijn duiveltje (“Krampus”) mee met de gard voor de stoute kindertjes. De Prins 2 december 1922 (eigen collectie)

Zwarte Piet kan begonnen zijn als duivel of “boeman” (zoals in Centraal Europa met het personage “Krampus”), die Sinterklaas zelf in oudere tradities gerelateerd aan Wodan en vadertje winter overigens ook al was. Zwarte Piet kan ook zijn bedacht als de knecht die door de schoorsteen moest om te verklaren aan de kindertjes hoe de goedheiligman anders zijn tabbert en baard schoon wist te houden. Hij kan ook als duivel gelijkgesteld zijn geworden, tegelijkertijd met de eerdere verklaringen, aan de in het midden van de 19e eeuw minderwaardig en potentieel gevaarlijk geachte, zogenaamd “zwarte” medemens met een donker getinte huidskleur. En juist die schakeling is kwalijk.

Hoe kan de schakeling van het negatieve aspect van Sinterklaas, dat is het straffende aspect dat gepersonifieerd is geraakt in de figuur van Zwarte Piet, aan de figuur van de “moor” tot stand zijn gekomen? Het eerste beginnetje van de historische verklaring is heel eenvoudig en bekend: “The Most ancient and persistent basis of color bias, which the Dutch share with most world cultures, is the association of blackness with evil” (Allison Blakely, Blacks in the Dutch World. The Evolution of Racial Imagery in a Modern Society, Bloomington & Indianapolis 1993, 282). Zwarte Piet komt ook in een oude prent voor als angstaanjagend figuur met een zwarte baard met zwarte kleding en een zwarte ratel maar de figuur zelf is een blanke (Phyllis Siefker, Santa Claus, Last of the Wild Men. The Origins and Evolution of Saint Nicholas, Spanning 50,000 years, Jefferson NC & London 1997, afbeelding op p.11).

Ongedateerde illustratie van een Zwarte Piet of Sint Nicolaas zelf – een duivels manneke in ieder geval – die kinderen angst aanjaagt (Foto van de afbeelding op pagina 11 van Siefker's boek Santa Claus, Last of the Wild Men 1997)

Ongedateerde illustratie van een Zwarte Piet of Sint Nicolaas zelf – een duivels manneke in ieder geval – die kinderen angst aanjaagt (Foto van de afbeelding op pagina 11 van Siefker’s boek Santa Claus, Last of the Wild Men 1997)

Maar het ging niet altijd om onversneden racisme. Misschien heeft de schakeling van het negatieve aan de knecht van Sinterklaas ook meer te maken gehad met realistische ervaringen van Hollanders in den vreemde, als werd mentaal de volgende omdraaing gemaakt: de “moor” die jou of jouw voorvaderen tot slaaf dreigte te maken heb je nu zelf in de volkstraditie weten te knechten. Slavernij komt zo dus in het spel maar op een andere manier dan de meeste mensen nu denken. Zwarte Piet verwijst volgens mij niet naar de slaven die op de plantages werkten in America. De moorse kleding geeft daarin de doorslag. De zwarte Piet in moorse kleding verwijst eerder naar de overwonnen vijand uit het Middellandse Zeegebied, naar de “moren” van Barbarije (dus van het land van de Berbers, dat wil zeggen de kusten van Noord-Africa) die de Christelijke Europeanen eeuwenlang hebben geterroriseerd, overigens dankzij de bescherming die ze genoten van de Ottomaanse Turken (dus die komen gek genoeg toch het verhaal weer binnen). Met de vele duizenden kustbewoners in vooral Italië, Frankrijk en Spanje zijn ook vele duizenden zeevaarders – waaronder uiteraard talloze Hollanders – door islamitische piraten (en hun renegaten) gevangen genomen om weg te rotten in de miserabele grootschalige slavernij van Noord Africa. Nu lijkt alleen de iconisch geworden Zwarte Piet niet echt op de Noord-Afrikaanse slavenjagers maar eerder op hun slachtoffers uit de sub-Sahara gebieden. In dit verband komt het verhaallijntje ter sprake, aangetroffen op een thematische webpagina van de Koninklijke Bibliotheek, van de Ethiopische wees Piter die na zijn vrijlating uit slavernij vrijwillig in dienst zou zijn getreden bij Sint Nicolaas (Koninklijke Bibliotheek themapagina). Dat zou wel het goedmoedige karakter van deze knecht verklaren. Maar zo begint wel alles door elkaar te lopen: want wordt die tijdloos gebleven Piter geacht uit de Grieks-Romeinse slavenhouderij afkomstig te zijn geweest of uit de Arabisch en Noord-Afrikaanse slavenhouderij? En werden niet veel slaven uit de sub-Sahara ingezet op de schepen van de slavenjagers van Barbarije? En zijn er niet, zoals eveneens te lezen valt op de website van de KB, in de 17e en 18e eeuw Moorse pages bij Europese edelen in de mode geweest? [NB 23 october 2013: Zie voor een bijna monocausale verklaring, van kunsthistoricus Elmer Kolfin, van de herkomst van Zwarte Piet als "page" in kindslavernij nu Michiel Kruijt, "Geen twijfel: 'Zwarte Piet stamt af van kindslaven' Volkskrant online 23 october 2013.] Dan zullen die wel afkomstig zijn geweest van, hetzij de transatlantische slavernij, hetzij de slavernij die volgde uit de tegenmaatregelen die Europese strijdmachten langs de kusten van de Middellandse Zee namen. Kortom, de schakeling van de Moorse Zwarte Piet aan een meer specifieke historische context is nog niet zo eenvoudig.

Een van een serie foto's van Sint en Piet op de daken en bij de schoorstenen van een Nederlandse stad gemaakt voor de Katholieke Illustratie van 2 december 1925 (knipsel in eigen collectie).

Een van een serie foto’s van Sint en Piet op de daken en bij de schoorstenen van een Nederlandse stad gemaakt voor de Katholieke Illustratie van 2 december 1925 (knipsel in eigen collectie).

 

Eeuwenlang is “de Moor” een dubbelzinnig figuur geweest in de Nederlands cultuur; “de Moor” kon afwisselend positief of negatief worden geïnterpreteerd, afhankelijk van zijn aanleiding en zijn gebruik, bijvoorbeeld in de heraldiek, als gaper aan de pui, in de schilderijen, prenten, verzen en verhalen, en meestal dus heel ambigu, als een combinatie van beide extremen (Allison Blakely, Blacks in the Dutch World. The Evolution of Racial Imagery in a Modern Society, Bloomington & Indianapolis 1993, inz. pp. 49 e.v. en pp. 275 e.v.) De figuur van Zwarte Piet, ook als Moor, is in Nederland echter altijd wel overwegend positief beschouwd geweest (ibid.). Echt racistisch lijkt het dus nooit bedoeld te zijn geweest.

Jan Schenkman, "Sint Nikolaas en zijn knecht", uitgegeven door Gerrit Theodoor Bom te Amsterdam, omstreeks 1850.

Jan Schenkman, “Sint Nikolaas en zijn knecht”, uitgegeven door Gerrit Theodoor Bom te Amsterdam, omstreeks 1850.

De Noord-Afrikaanse slavernij was geschiedenis geworden (hoewel redelijk recent nog) toen Schenkman en zijn tekenaar rond 1850 de figuur van Zwarte Piet tot monumentaal icoon verhieven (scans van Jan Schenkman’s eerste editie). Maar de plantageslavernij in de Nederlandse kolonieën zou pas in 1863 worden afgeschaft. Het Moorse element van Zwarte Piet keek naar het verleden maar de minachting voor mensen met donkere huidskleur was nog steeds eigentijds. Het interessante van de Moorse Zwarte Piet is dat hij als het ware een nostalgische come-back heeft gemaakt. De in artistiek opzicht prachtige illustraties die P.J. van Geldorp omstreeks 1914 maakte voor de uitgave van De Vlieger van nu ongeveer 100 jaar geleden zijn inmiddels kanoniek: Piet is fors maar gedrongen, heeft een sukkelige houding en gelaatsuitdrukkig, volle knalrode lippen, en “Moorse” kleding; er zijn groepjes Pieten aan het werk, de Sint heeft een werkmijter, het grote boek, enz. Maar deze toonaangevende voorstelling uit het begin van de twintigste eeuw – die we nog jaarlijks kunnen zien op TV, op straat en in de scholen – is meer overdreven karikaturaal dan die van de oorspronkelijke uitgave van Jan Schenkman uit 1850, waarin Zwarte Piet leniger is en (nog) niet sukkelig uit zijn ogen kijkt en waarin zijn Moorse kleding minder potsierlijk is omdat hij geen kraag heeft en geen muts; deze iets oudere Zwarte Piet is dienstbaar maar minder onderdanig, vooral waar hij op een stoer steigerend zwart paard – een Fries! – met de Sint op zijn schimmel mee is gegaan de daken op (afbeelding in serie scans; zie hierboven). Kortom, het actuele probleem is ontstaan of in ieder geval verergerd in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw. Juist toen ook het Nederlands kolonisalisme in termen van onrechtmatige uitbuiting en betutteling tot zijn hoogtepunt kwam.

Plaatjes uit de heruitgave van Schenkman's Sinterklaas en zijn knecht uit het begin van de 20e eeuw met de illustraties van P.J. van Geldorp (collage van eigen foto's van een uitgave uit de 1970er jaren)

Plaatjes uit de heruitgave van Schenkman’s Sinterklaas en zijn knecht uit het begin van de 20e eeuw; illustraties van PJ. van Geldorp uit omstreeks 1914 (collage van eigen foto’s)

De oorspronkelijke ontwikkeling van de Zwarte Piet van Schenkman en zijn opvolgers is goed te begrijpen (“begrijpen” betekent hier niet “goedkeuren”) in de geest van de tijd, dus gelet op het recente vijandsbeeld (de piraten van Barbarije), op de steeds dieper gewortelde superioriteitsgevoel van deelnemers aan de koloniale overheersing en op de heersende minachting voor mensen die uiteraard geheel ten onrechte waren gereduceerd tot handelswaar in de transatlantische slavenhandel. Maar deze Sjors-en-Sjimmie achtige karikatuur is eenvoudigweg racistisch. Het is een icoon van triomfantelijke neerbuigendheid die tot onze schande nog steeds integraal deel uitmaakt van de sinterklaasviering. En het Sinterklaasjournaal heeft de zaken alleen nog maar versterkt door, naturalistisch bedoeld, bruine poets te gebruiken in plaats van roetzwarte: van een schoorsteenveger is geen sprake meer. Prem had daarin gelijk – al kon ik zijn spoiler tackle met gestrekte been in het geheel niet waarderen.

Zwarte Piet neemt stoute kinderen mee in de zak. Illustratie van P.J. van Geldorp van omstreeks 1914 (door mij weer gefotografeerd van een heruitgave)

Zwarte Piet neemt stoute kinderen mee in de zak. Illustratie van P.J. van Geldorp van omstreeks 1914 (door mij weer gefotografeerd van een heruitgave)

Het duveltje is nu dus uit het doosje. En we zagen het aankomen. Jaren geleden, in 2007, was er al hommeles over Zwarte Piet wegens de sinterklaasviering in een cacaoverwerkingsbedrijf in Koog aan de Zaan dat door Amerikanen was overgenomen en dat ironisch genoeg betrokken was in de productie van chocoladeletters! Terecht of niet, er leek wat te moeten gebeuren. Vorig jaar, of was het alweer twee jaar geleden, heb ik op een congres over Volkscultuur openlijk gepleit voor de transformatie van het Sinterklaasfeest, zij het kort in de loop van een discussie naar aanleiding van een lezing over over immaterieel erfgoed – als je sinterklaas en zwarte piet door de UNESCO wilt laten “beschermen”, dan zit je natuurlijk op een ramkoers. De directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Ineke Stroucken, komt nu niet verder dan de suggestie te doen er eens een blauwe Piet van te maken of een paarse. ‘Tuurlijk. Kan best, mevrouw, een Oranje Piet hebben we ook al.

Zo eenvoudig werkt het immaterieel erfgoed niet. Tradities zijn een vloeiend resultaat of weerslag van complexe werkelijkheden, voorstellingen en denkbeelden die voortdurend in verandering zijn. Juist dat maakt dat de bevriezing van immaterieel erfgoed op een monumentale lijst van UNESCO onzinnig is. Maar de UNESCO beoogt ook geen bevriezing van tradities; de veranderlijkheid hoort erbij. Nu ben ik daarom van mening, en dat heb ik dus kort benadrukt in een publieke discussie, dat bij de kandidaatstelling van de Nederlandse Sinterklaastraditie voor plaating op de lijst van immaterieel erfgoed van de UNESCO er een soort routekaart voor de “verschoning” van die traditie zou moeten worden bijgevoegd. Al was het maar omdát de uiterlijkheden van die viering die racistisch overkomen (of eigenlijk zijn) niet meer een getrouwe afspiegeling zijn van de samenleving waarin die traditie nu leeft. Nederland acht ik geen uitgesproken racistisch land; nou, wat moeten we dan nog met die Zwarte Piet van Schenkman en van Geldorp!

Iemand moet wat doen. Wie? De burgemeester van Amsterdam gaat luisteren naar suggesties. De NTR zegt dat ze de samenleving volgen. Ze hebben boter op hun hoofd want vooral op de televisie worden de populaire voorstellingen tegenwoordig gevormd. Op de televisie had hoe dan ook een ander type Zwarte Piet moeten komen, jaren geleden al, om rekening te houden met de perfect begrijpelijke gevoeligheden. [Maar zie nu het commentaar van John Twigt hieronder.]

We moeten allemaal ons best doen de Zwarte Piet van Schenkman en van Geldorp “om te buigen” tot een meer neutraal figuur, een schoorsteenveger of een Zalandomannetje. De huidige Zwarte Piet is in ieder geval een kwalijke karikatuur die met minachting verwijst naar mensen met een donker getinte huidskleur; het is een misvormd overblijfsel uit andere tijden die in de loop der jaren had moeten worden verschoond. De racistische schakel is tijdgebonden en moet volgens mij verdwijnen. Het racistische element kan ook verdwijnen want, laten we eerlijk zijn, niemand bedoelt met de viering racistisch te zijn en de meeste mensen in Nederland, ongeacht hun huidskleur, ervaren het sinterklaasfeest ook niet zo.

Zo zien we hem in Nederland graag. Op het dak met Piet in de schoorsteen! (De Prins van 6 december 1930, knipsel eigen collectie)

Zo zien we hem in Nederland graag. Op het dak met Piet die de cadeaux gooit in de schoorsteen! (De Prins van 6 december 1930, knipsel eigen collectie)

Mijn voorlopige oplossing? Mijn suggestie was tijdens en is sinds dat voornoemde congres dus de eventueel geleidelijke restyling van Zwarte Piet tot de schoorsteenveger waarvoor hij is bedacht. De duivel was ooit Sinterklaas zelf. Het was zijn straffende alter-ego. De knecht is gewoon de min of meer aardige en hoe dan ook acrobatische vent die door de schoorsteeen moet met een roe en de zak met cadeautjes. Stoute kinderen kunnen mee naar boven als het moet. Maar had Piet dan gewoon een paar niet geheel dekkende roetvegen op het gezicht gegeven die passen bij een schoorsteenveger met willekeurig welke huidskleur.

Met de aanvraag van een UNESCO “keurmerk” voor de Sinterklaastraditie heeft Nederland nu het onheil over zichzelf afgeroepen. Sinterklaas zal vanwege Zwarte Piet nooit op die lijst terecht kunnen komen; sterker nog, we kunnen alleen nog maar meer problemen verwachten. Vooral uit de Verenigde Staten van America; en dat terwijl de Russen nu ook al op ons neerkijken. Nee jongens, het gaat goed met de Holland Promotie! Sinterklaas komt niet op de UNESCO lijst van immaterieel erfgoed maar wat mij betreft zou een aanvraag voor de typisch Nederlandse tradities van naïviteit, knulligheid en schijnheiligheid wél een goede kans maken!