De wonderlijke bloedband van de Napoletanen met hun beschermheilige

 

Wikipedia Creative Commons: Paola Magni - Flickr: Napoli. Il sangue è vivo. (https://it.wikipedia.org/wiki/San_Gennaro#/media/File:Napoli._Il_sangue_è_vivo.jpg)

Kardinaal Crescenzio Sepe voert het vervloeibaringsritueel uit.Wikipedia Creative Commons: Paola Magni – Flickr: Napoli. Il sangue è vivo. (https://it.wikipedia.org/wiki/San_Gennaro#/media/File:Napoli._Il_sangue_è_vivo.jpg)

Het wonder is weer geschied: het bloed van de Heilige Januarius is vloeibaar geworden. En daarmee is ook de spanning opgelost die de aanwezige gelovigen in de dom van Napels gisteren zowat de hele dag in zijn greep had gehouden, vanaf de vroege ochtend tot zo laat als 17:50u. De 16e december is één van de drie dagen in het jaar waarop de (diepgelovige) Napoletanen uitzien naar de oplossing van het bloed van hun beschermheilige dat de rest van de tijd in gestolde vorm bewaard zou zijn gebleven in het vacuüm van de veertiende-en-achttiende eeuwse ampule (zie eindnoot). Deze dag markeert en gedenkt de uitbarsting van de Vesuvius in 1631 die, zo wordt geloofd, nog tijdig werd beëindigd door de miraculeuze weerstand van de relieken van San Gennaro. (De andere twee dagen markeren de naamdag van de heilige – 19 september – en de dag waarop de relieken weer worden teruggezet in de catacomben – de eerste zondag van mei.) Dankzij de tijdelijke oplossing van het gestolde bloed van de heilige is de stad voorlopig weer gevrijwaard van een ramp (of “weet” men althans dat de stad dat is) waardoor hij anders nog zou worden getroffen in de komende termijn die, zo neem ik aan, in dit geval duurt tot de eerste zondag van mei. Het is een prachtig voorbeeld van dwangmagie of “instrumentele magie” – bekende begrippen in de sociologie en antropologie (Malinowski, Levi-Strauss, Mauss, waarbij te denken valt aan het trefwoord “mana”) – waarin door ritueel handelen een eerder (vermeend) wonder opnieuw word afgedwongen (of afgesmeekt). Persoonlijk vind ik het niet iets om te ridiculiseren maar juist te respecteren: laat mensen hun blik maar op het goede vestigen, op hoop, op vertrouwen; en laat ze zich daarbij maar rekenschap geven van hun kwetsbaarheid, afhankelijkheid en onmacht. Dat de verbeelding daarbij wonderlijk is, stoort mij in het geheel niet; sterker nog, de verbeelding kan ook verrijkend werken! De gelovigen van Napels voelen zich in ieder geval weer goed beschermd door hun schutspatroon: de stad is veilig. Want hoe dan ook, zo besluit het artikel op de website Vesuviolive, weten de Napoletanen toch altijd wel oplossingen te vinden voor rampen, zo niet met de handen uit de mouwen dan toch met de handen gevouwen … in gebed.

Eindnoot. In 2010 heeft een moleculair bioloog van de Napoletaanse universiteit Federico II,  Giuseppe Geraci, verklaard er na vier jaar onderzoek en experiment in te zijn geslaagd om de conversie van oud bloed van vaste stof tot vloeibaar en weer terug te reproduceren met behulp van middelen die in de veertiende eeuw bekend en beschikbaar waren; hiertoe is een vergelijkbare oude ampule geopend, eentje uit het klooster Eremo dei Camaldoli die niet meer aan een persoon of precieze context kon worden toegeschreven, en heeft het team eigen bloed gebruikt om de chemische processen te reproduceren  (Il Mattino 5 februari 2010). De ampule bevat dus vrijwel zeker menselijk bloed dat na eeuwen nog steeds vloeibaar kan worden om later weer te stollen weer stollen, door de bewegingen en temperatuurwisselingen die in het ritueel van de inspectie zijn verwerkt. Dit betekent natuurlijk niet dat de bloedresten in de ampule ook echt van de heilige Januarius was. Deze man was een martelaar uit de derde eeuw wiens relieken reeds in de vierde eeuw werden vereerd. De ampule dateert uit de achttiende eeuw met een kern die tenminste zou dateren uit de veertiende eeuw, uit welke eeuw ook de eerste getuigenis van het wonder dateer (voor meer over de dateringen en onderzoeken, zie het Italiaanse Wikipedia artikel over San Gennaro).  Maar hoe wonderlijk of weinig (ver)wonderlijk men de gebeurtenis van de “vervloeibaring” ook zou vinden, iedere keer wordt er toch iets wonderlijks in Napels verricht. “Het werkelijke wonder van Sint Januarius is het geloof zelf dat het vermogen heeft om mensen gerust te stellen. Het is de affectie die de Napoletanen hebben voor hun beschermheilige en zijn relieken”, aldus Geraci (in het geciteerde artikel van Il Mattino: «Il vero miracolo di San Gennaro è la fede che è capace di suscitare. L’affetto dei napoletani per il patrono e per la sua reliquia», gevolgd door de mooie verwijzing van de journalist – mogelijk Michele de Lucia– naar “de zekere bloedband” tussen de stad en zijn patroon: “Legame di sangue, stavolta senza dubbi.” (zie de verwijzing hierboven, naar Il Mattino van 5 februari 2010).

Een voetnoot bij een voetnoot. (Bij de geschiedenis.)

Boeken en bladen in eigen collectie over de Fairey Swordfish, de Taranto Raid en de Fleet Air Arm ©2014 Huib J. Lirb

Boeken en bladen in eigen collectie over de Fairey Swordfish, de Taranto Raid en de Fleet Air Arm ©2014 Huib J. Lirb

Op zoek naar een recente geschiedenis van de stad Taranto stuitte ik vanmorgen op een groepje van Italiaanstalige boeken over de “Taranto raid”. Het is een beroemde aanval waar ik in de loop der jaren al meerdere malen over heb gelezen. Sterker nog, ik heb in mijn boekenkast drie boeken over de aanval en over het type vliegtuig waarin het is uitgevoerd.

In de nacht van  11 op 12 november 1940 vlogen 21 forse Fairey Swordfish dubbeldekkers van de Britse Fleet Air Arm, behangen met torpedo’s (de ene helft) en met 250 pond “Semi-Armour-Piercing” bommen en “flares” (de andere helft), van hun vliegdekschip HMS Illustrious langs de kust van Kephallonië over een afstand van meer dan 300 kilometer naar de Italiaanse havenstad Taranto. Daar lag de trots van Mussolini’s vloot voor anker, als het ware  in gezegende onwetendheid mooi en machtig te wezen: zes slagschepen en drie kruisers in een halve cirkel in de Mar Grande, de buitenhaven, en nog eens zes kruisers en zeventien “destroyers” in de Mar Piccolo, de binnenhaven. Die schepen zoveel mogelijk schade toebrengen in een bliksemaanval, dat was het doel van Operation Judgement. Vooral na het verlies van de Franse vloot (deels aan de Engelsen zelf – we hebben het er nog eens over) was het nodig om het gevaarlijke overwicht van de vijandelijke vloot in de Middellandse Zee (dus inzonderlijk de Italiaanse) te verzwakken. Gibraltar en Malta liepen gevaar. Verderop Suez. En daarmee de oliegebieden en de koloniën in Azië (e.g. India, Singapore etc.).

De aanval is goed voorbereid, al waren er veel vertragingen door pech, met als dieptepunt de brand op het aanvankelijk beoogde vliegdekschip HMS Eagle. Om vanaf grote afstand een verrassingsaanval te kunnen uitvoeren, werden de grote dubbeldekkers  zodanig gemodificeerd dat er meer brandstof dan normaal mee kon worden genomen. Er werd een grote extra brandstoftank geplaatst tussen de voorste en de achterste “cockpit” van de driezitter zodat de navigator-en-bommenrichter werd verschoven naar de cockpit van de boordschutter-en-telegrafist (Telegraphist Air Gunner). De boordschutter werd dus vervangen voor een potentiële brandbom (David Wragg, Swordfish. The Story of the Taranto Raid, London 2003, 17 en 83 voor de modificatie; 15 voor de TAG; zie Ray Sturtivant, The Swordfish Story London [1993] 2000, 59, voor de verklaring van de “observer” Sutton dat dat best enorm beangstigend was ). Twee-en-veertig bemanningsleden trotseerden eerst urenlang de intense koude van de hogere luchtlagen in hun open kisten. “Six thousand feet. God how cold it is here! The sort of cold that fills you until all else is drowned, save perhaps fear and loneliness. Suspended between heaven and earth in a sort of no-man’s land – to be sure, no man was ever meant to be here… Is it surprising that my knees are knocking together?” (Luitenant M.R. Maund, in een verklaring kort na de actie, geciteerd in Wragg 2003, 105; voor een vergelijkbare klacht over de opmerkelijke kou, deze keer van piloot John Wellham, zie Sturtivant [1993] 2000, 60).

 

Een Fairey Swordfish gefotografeerd in 2012 door Tony Hisgett uit Birmingham, UK (http://www.flickr.com/people/37804979@N00) . Wikimedia Commons.

Een Fairey Swordfish gefotografeerd in 2012 door Tony Hisgett uit Birmingham, UK (http://www.flickr.com/people/37804979@N00). Wikimedia Commons.

 

Na de lange ijzige vlucht werd eindelijk het doel dicht genaderd.

In twee golven en verdeeld over nog kleinere vluchten vielen de Swordfish vliegtuigen aan. Dat was geen eitje. Overal hingen verperringsballonnen (waar bijvoorbeeld het toestel van Wellham en Humphreys ernstig door in problemen is gekomen, zie Sturtivant [1993] 2000, 60).  Hier en daar waren er ook anti-torpedonetten gespannen zodat ook het kiezen en benaderen van het doel uiterst moeilijk was gemaakt (volgens Charles Lamb, War in a Stringbag,  London [1977] 2002, 105-6; ook volgens Captain Sutton in Sturtivant [1993] 2000, 58). De verdediging was klaarwakker reeds vóór de komst van de eerste vlucht want de Italianen hadden een kwartier tevoren alarm geslagen. Ze hadden namelijk het verre motorgedreun opgevangen van het vooruitgeschoven toestel dat kort voor de haven moest blijven cirkelen om op de rest van de vlucht te wachten. De “zwaardvissen” met torpedo’s vlogen laag aan. Zo laag dat de mitrailleurs en kanonnen van de luchtverdediging en van de belaagde schepen elkaar dreigden te raken in het spervuur over het water. Dat gebeurde dan ook, volgens de vlieger Charles Lamb, en hij merkte ook op dat de oude stad Taranto hard werd getroffen door “vriendelijk” vuur (Lamb [1977] 2002, 107-108). Het luchtdoelgeschut hield daarom al snel een hoek aan waarmee als het ware een doorgang open bleef voor de laagvliegende Swordfishes die torpedo’s brachten.  Om dezelfde reden werden de zoeklichten niet goed gebruikt – tot gelukkige verbazing van de Britse vliegers. Blijkbaar wilden de Italianen hun eigen schepen niet uitlichten door de zoeklichten laag in te schijnen met zoeklichten die over het wateroppervlak zouden scheren (Lamb [1977] 2002, 108). Al snel werd niettemin de hele Mar Grande fel opgelicht, door de talloze explosies en branden, door de “flares” (toortsen aan parachutes afgeworpen door de hoger vliegende Swordfish vliegtuigen die bommen wierpen) en door de traceerkogels van het snelvurende luchtdoelgeschut.”I have always been very grateful to the Italians for favouring the tracer-type shell, which streaks upwards in flaming balls of fire, known as ‘flaming onions’. It is possible to see them coming from the moment they leave the gun’s mouth until they soar past. Admittedly, they streak upwards at an alarming rate, but there was always time to dip a wing and swerve out of their path. In the dark there was plenty of time to dodge, and in any case, they were firing at the flares, not the aircraft.” (Lamb [1977] 2002, 109). Een van de piloten van de tweede vlucht, die 50 minuten later in actie kwam, merkte op dat het geheel leek op “a very expensive fireworks display” en vroeg zijn observator gekscherend of ze niet toevallig een feestje bleken te komen binnenvallen (Wellham in Sturtivant [1993] 2000, 60). Party crashers dus.

Onder de stank, de knallen en de lichtflitsen door werkten de britse toestellen zich langzaam langs de versperringsballonnen en door het spervuur heen. Ze wisten in totaal 11 torpedo’s te laten gaan en 48 bommen te laten vallen. Veel daarvan raakte doel. De Italiaanse vloot verloor door deze aanval haar beschikking over drie slagschepen en een zware kruiser. Het vlaggeschip van de groep, de Conte di Cavour, zou de hele oorlog niet meer in actie komen. De Caio Duilio zou zeven maanden in de lappenmand blijven. Het derde getroffen slagschip, de spiksplinternieuw-blinkende Littorio, werd eveneens zwaar getroffen  en zou na vijf maanden weer blijken te zijn opgelapt. Talloze andere schepen liepen schade op, ook in de binnenhaven van de Mar Piccolo. Daar werden tenslotte ook nog secundaire doelen getroffen, zoals de benzineopslag plaatsen en haveninstallaties (Lamb [1977] 2002, 109-110).  “It seems incredible that only two aircraft were brought down in exchange for that extensive damage, because in opposition to this achievement the ‘lunatic fringe’ of the harbour defences fired a total of 13489 rounds of high-angle anti-aircraft shells at the flare-droppers; 1750 rounds of four-inch, and 7000 rounds of three-inch shells, at the eleven torpedo-droppers and the dive-bombers. There is no record of the amount of armament expended by all the ships, but this greatly exceeded the flak put up by the harbour defences.  All this was aimed at twenty slow-moving, elderly biplanes, dancing a stately minuet in their midst, and performing feats of agility which no other type of aircraft could attempt without falling out of the sky” (Lamb [1977] 2002, 109; cf. Wragg 2003, 120).

Slechts twee Britten hadden de aanval dus niet overleefd terwijl twee anderen na meer dan 130 meter zwemmen zouden eindigden in krijgsgevangenschap (voor hun verhaal, zie Wragg 2003, 118-120). Aan Italiaanse zijde vielen uiteraard wel veel doden te betreuren (al lees ik in deze Engelse literatuur nergens schattingen). De stad Taranto werd achtergelaten in shock.  En ik weet uit eerste hand dat men er  nu nog steeds liever niets meer over hoort.

De Caio Duilio zit getroffen op de bodem van de ondiepe Mar Grande na de aanval. Foto van het boek van Wragg 2003.

De Caio Duilio zit getroffen op de bodem van de ondiepe Mar Grande na de aanval. Foto van het boek van Wragg 2003.

 

De helft van Mussolini’s trotste vloot is die nacht buiten gebruik gesteld.  De “duce” had verzuimd de havenstad goed te beveiligen. Hij geloofde niet in het nut van vliegtuigschepen. Daar kun je niet veel mee. Trouwens, heel Italië zelf is een vliegtuigbasis voor de Middellandse Zee.  Mare Nostrum, “Onze Zee”, zijn zee. Wie kon hem daar raken? (Deze evaluatie, kort door de bocht maar wel goed genomen, is gebaseerd op, behalve de reeds gebruikte drie boeken, ook Denis Mack Smith, Mussolini, Milano 1981, 419). De aanval heeft verschil uitgemaakt, in meerdere opzichten positief voor de Engelsen: ten eerste is de Italiaanse vloot immers feitelijk korte tijd verzwakt geweest en voor de rest van de oorlog enigszins schuchter gebleven;  ten tweede was de opsteker voor de Engelsen, die zich er inmiddels alleen voor gesteld voelden, van groot belang voor het moreel. Daartegenover stond de reactie van de Duitsers; zij begrepen dat ze zelf een meer actieve rol moesten gaan spelen in de verzekering van de Middellandse Zee. Dát zouden ze vooral in Malta goed voelen. Een ander onverwachts neveneffect van de geslaagde actie volgde uit het onopvallende bezoek van een Japanse diplomaat vanuit Berlijn aan de puinhopen in Taranto. Deze militaire attaché heeft zich een goed beeld gevormd van de aanval en zijn bevindingen zouden mogelijk de basis hebben gevormd voor de verrassingsaanval op Pearl Harbor ongeveer een jaar later (7 december 1941); of althans zouden de rapporten misschien tot aanpassingen hebben geleid van reeds door de Japanners ontwikkelde plannen (Wragg 2003, 159-168).

Waarom begon ik hier ook al weer over? Ja, ik weet het weer. Ik was vanmorgen op zoek naar een recente geschiedenis van Taranto (vanwege actuele problemen die verband houden met onder meer het millieu) en trof toen in de Italiaanse Amazon een paar Italiaanse boeken aan over de Aanval op Taranto. Op een van die boeken, getiteld “Taranto: het Italiaanse Pearl Harbor”, prijkt een mooie foto op de achterflap van een Britse kist boven een vliegdekschip, met de verklarende tekst: “Een Swordfish toestel vliegend boven het vliegdekschip Illustrious“.

Het boek van Gustavo Ottolenghi geafficheerd bij de Italiaanse Amazon. De achterflap toont niet het juiste toestel noch het juiste schip (Collage van schermopnames door H.J. Lirb)

Het boek van Gustavo Ottolenghi geafficheerd bij de Italiaanse Amazon. De achterflap toont niet het juiste toestel noch het juiste schip (Collage van schermopnames door H.J. Lirb)

 

Helaas is hier een fout gemaakt in de beeldredactie. (En daarmee zeg ik niks over het boek – dat heb ik nog niet gelezen maar het staat wel op mijn wensenlijstje!) Want het toestel is een Hawker Osprey, een verkennings- en gevechtsvliegtuig dat bij de Fleet Air Arm dienst heeft gedaan van november 1932 tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog (Louis S. Casey & John Batchelor, Naval Aircraft 1914-1939, Phoebus Publishing Paulton (Avon) 1977, 28-29). Deze tweezitter lijkt niet op de Swordfish – die is groter, heeft een stermotor, is een driezitter (de voornoemde ad hoc modificatie houdt die derde cockpit ook zichtbaar).  Het vliegdekschip is niet de Illustrious maar kan óf de HMS Hermes of de HMS Eagle zijn. Dus, nerd die ik soms ben, heb ik online het registratienummer van de kist opgezocht. Deze S1681 is een Hawker Osprey Mark III (www.worldmilitair.com) en zou mogelijk tot het  803e eskader hebben behoord dat geassocieerd wordt met de HMS Eagle (http://crimso.msk.ru/Site/Arts/Art6367.htm).

Om tenslotte bij deze verder geheel onbelangrijke voetnoot bij de geschiedenis – hoewel beeldredactie ook altijd zorgvuldig dient te worden verricht – nu zélf ook nog een voetnoot te plaatsen, presenteer ik de afbeelding van een ander exemplaar van de Osprey (de S699), kennelijk een Mark I (www.worldmilitair.com), uit mijn eigen ansichtkaart collectie.

Hawker Osprey Mark I, Reg nr. S1699 (ansichtkaart in eigen collectie H.J. Lirb)

Hawker Osprey Mark I, Reg nr. S1699 (ansichtkaart in eigen collectie H.J. Lirb). Nogmaals: dit toestel heeft NIKS te maken met de Taranto Raid

En waarom plaats ik deze foto? Omdat het weekend is en ik er blij mee ben. En gaandeweg hebben we weer een klein foutje van anderen opgelost. Goed weekend.

De helden van de meidagen van 1940

Boeken meidagen 1940

Geen Tachtigjarige Oorlog maar een Tachtigurige Oorlog. Mijn groeiende verzameling boeken over de meidagen van 1940.

Ieder jaar, in deze tijd, lees ik weer verder in mijn uitdijende verzameling boeken over de meidagen van 1940. Dat doe ik met een alsmaar toenemend respect voor al diegenen die zich tegen de opmars van de misdadige overvaller in het geweer hebben gesteld. Hun inzet en prestaties waren zoveel sterker dan menig argeloze burger van het vrije Nederland tegenwoordig nog beseft. De Slag om de Vesting Holland was een indrukwekkende militaire gebeurtenis die hoe dan ook tot een gevoelige vertraging heeft geleid van de Duitse opmars in het algemeen en van de aanval op Engeland in het bijzonder. De meidagen waren niet geheel zonder Nederlandse successen. De Duitse luchtlandingen rond Den Haag zijn vrijwel geheel mislukt. De doelen werden niet gehaald. Een aanzienlijk aandeel van de Duitse luchtvloot werd vernietigd. De Kroon werd niet in een bliksemactie ontvoerd maar door de Britten op tijd geëvacueerd. En het spande erom: Prins Bernhard heeft persoonlijk nog staan schieten op Duitsers vanaf het dak van het paleis. Ook de verdedigers van Grebbeberg en de Betuwestelling boden stevig verzet. In Rotterdam, intussen, kwamen de Duitsers maar steeds niet die vermaledijde Maasbrug over. Holland viel toch niet zo snel om als verwacht. Grote groepen gevangen genomen Duitsers zijn nog op tijd afgevoerd naar krijgsgevangenschap in Engeland en Canada. Op diverse plaatsen is soms bijna bovenmenselijk verdedigd en aangevallen door het luchtwapen, het luchtdoelgeschut, de mariniers, de zandhazen, de huzaren, de jagers en de grenadiers. En al zou er veel hebben gerammeld op strategisch en tactisch niveau; al zouden de SS-ers nog niet zo goed getraind zijn geweest dan hun latere reputatie zou doen vermoeden; en al zouden er niet zoveel Duitsers zijn gesneuveld bij Kornwerderzand als doorgaans wordt beweerd. Al die bijstellingen (e.g. van Kamphuis en Amersfoort op de historiografie van Brongers e.a.), hoe interessant en wetenschappelijk wenselijk ook, doen geen afbreuk aan, ja, laten we een archaïsch gedragen woord gebruiken, het heldendom van die verbeten gelegenheidssoldaten en beroepsmilitairen die ons land hebben verdedigd. Tót de Heinkel 111’s de binnenstad van Rotterdam vernietigden met een vuurstorm. “En nu moet het afgelopen zijn!” (Of er nou wel of niet met het dreigement in verschiet een accoord tot overgave van de stad is besloten, verandert weinig aan de realiteit van de chantage.) Vanaf dat moment zou er iedere dag een andere Hollandse stad aan de beurt zijn geweest – Utrecht, Amsterdam, enzovoorts. Het is dan nu de speculatieve vraag hoe lang het leger de verdediging nog had kunnen voortzetten van achter de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Die speculatie is heel interessant, maar nogmaals, hij verandert weinig aan de kern van de zaak: “de meidagen van 1940” waren een ontzagwekkende gebeurtenis die respect afdwingt voor de betrokken verdedigers. Kortom, zoveel fundamentele tegenstellingen zie ik dan ook niet in de talloze discussies die nog steeds in de boeken woeden.

Toch hoor je ieder jaar in Nederland weer smalende opmerkingen over onze korte oorlog. Dat is spijtig en het is onterecht. Ons past nog steeds een diepgevoelde dankbaarheid. In de komende jaren zal ik ook zoeken naar mogelijkheden om meer waardering te wekken voor deze voor ons land toch zo’n traumatische geschiedenis.

Over het belang van datering in publiek debat over erfgoed

Vandaag treuren we kort om een oude schoorsteen en staan we stil, als “we” daar tenminste zin in hebben, bij de moeilijkheid om uit algemene berichten in de online pers een helder beeld te krijgen van de werkelijke ouderdom en betekenis van historische objecten in onze alledaagse omgeving. Zonder een goede basis van historische helderheid, datering en definitie, die vaak met veel geneuzel moet worden gelegd, verzandt menig discussie tot gewauwel over “vroeger”.

In tijden van economische crisis loopt ook het behoud van industrieel erfgoed gevaar. Dat is niet verwonderlijk. Wel jammerlijk. In Haarlem is onlangs een oude schoorsteen neergegaan, ondanks de grote waardering door “vrienden” van het industriële erfgoed en het stadsgezicht, omdat het behoud ter plaatse onmogelijk was en de fondsen voor verplaatsing na lang gesteggel toch niet toereikend waren. Het gaat om de fabrieksschoorsteen van Cavex aan de Spaarne naast molen De Adriaan. Lees verder